Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2:1, lid 3, wordt ten
aanzien van de ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in
een vermeerdering van de vakantie op grond van bereikte leeftijd waarbij
het bepaalde in artikel 6:2:1, lid 2 van overeenkomstige toepassing is.
Deze vermeerdering is als volgt:
36,0 uren over de kalenderjaren, waarin de ambtenaar de leeftijd
van 18 jaar nog niet heeft bereikt; 28,8 uren over het
kalenderjaar, waarin de ambtenaar de leeftijd van 18 jaar
bereikt; 21,6 uren over het kalenderjaar, waarin de ambtenaar de
leeftijd van 19 jaar bereikt; 14,4 uren over het kalenderjaar,
waarin de ambtenaar de leeftijd van 20 jaar bereikt; 0,0 uren
over het kalenderjaar, waarin de ambtenaar de leeftijd van 21
jaar bereikt;
7,2 uren per jaar bij een leeftijd van 30 jaar; 14,4 uren per
jaar bij een leeftijd van 40 jaar; 21,6 uren per jaar bij een
leeftijd van 45 jaar; 36,0 uren per jaar bij een leeftijd van 50
jaar; 43,2 uren per jaar bij een leeftijd van 55 jaar. 50,4 uren
per jaar bij een leeftijd van 60 jaar
De in het vorige lid onder b bedoelde vermeerderingen worden voor het
eerst genoten in het jaar waarin de leeftijd wordt bereikt.