Deze regeling kan worden aangehaald als Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Leidschendam-Voorburg (ARLV) en treedt in werking op de datum van vaststelling. De regeling omvat de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR), de Uitwerkingsovereenkomst (UWO), zoals overeengekomen in het Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (LOGA) en aangepast aan de plaatselijke situatie. Daarnaast zijn in de regeling opgenomen de plaatselijk vastgestelde rechtspositionele regelingen c.q. verordeningen voor de ambtenaren (artikel 1:1) in dienst van de gemeente Leidschendam-Voorburg.
Onverminderd het bepaalde in de onderscheidene onderdelen en artikelen van de ARLV, vervallen met ingang van de datum van inwerkingtreding van de ARLV alle op de datum van de gemeentelijke herindeling bestaande bepalingen van de rechtspositieregelingen en eerder algemeen genomen besluiten van de voormalige gemeenten Leidschendam en Voorburg, die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze regeling.
Voorzover de ARLV in enig onderdeel de rechtspositie betreffend niet is voorzien, beslissen burgemeester en wethouders met inachtneming van alle relevante factoren, rekening houdende met de eventuele oorspronkelijke bepalingen van de bij de invoering van de ARLV vervallen regelingen en besluiten, als bedoeld in lid 2, betreffende dit onderdeel, een en ander voorzover deze niet strijden met het bepaalde in de ARLV.
Indien de inwerkingtreding van de ARLV ertoe leidt dat bepalingen uit de op de datum van de gemeentelijke herindeling geldende rechtspositieregelingen vervallen, waardoor aanspraken van individuele ambtenaren c.q. werknemers in neerwaartse zin worden bijgesteld, vindt met het Georganiseerd Overleg overleg plaats over de gevolgen daarvan.
Indien gedurende een termijn van drie jaren na de inwerkingtreding van de ARLV mocht blijken dat op de datum van de gemeentelijke herindeling bestaande rechtspositieregelingen of –onderdelen daarvan abusievelijk niet in de ARLV zijn opgenomen zal in voorkomende gevallen met het Georganiseerd Overleg van gedachten worden gewisseld over hetgeen geconstateerd is. Burgemeester en wethouders beslissen, indien gewenst, met inachtneming van het gestelde in hoofdstuk 12.
In individuele gevallen waarin de ARLV niet voorziet beslissen burgemeester en wethouders.