Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 1:3

van de Awb:

Onderdeel van Beleidsregel Parkeernormen 2013

1.. Onder een beleidsregel wordt volgens verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan. De discretionaire bevoegdheid van het college brengt met zich mee dat wegens bijzondere omstandigheden gebruik kan worden gemaakt van de inherente afwijkingsbevoegdheid. Het spreekt voor zich dat afwijkingen beperkt moeten blijven om te voorkomen dat er rechtsongelijkheid ontstaat en dat afwijken van het beleid alleen mogelijk is binnen de begrenzing van artikel 2.5.30 Bouwverordening. 2.4  Parkeernormennota (beleidskader) Uitgangspunt van beleid voor deze beleidsregels is de door de gemeenteraad vastgestelde “Nota Parkeernormen” (zie bijlage 1). De daarin genoemde parkeernormen, de gebiedsindeling en de parkeerbijdragen worden, behoudens afwijking, als een gegeven beschouwd. 3  Algemene beleidsregels uitgangspunten en begripsbepalingen 3.1  Plicht te voorzien in parkeergelegenheid (parkeereis) De plicht om op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid te voorzien is geregeld in artikel 2.5.30 lid 1 van de Bouwverordening (Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen) en wel als volgt: Bouwverordening artikel 2.5.30, lid 1 Parkeereis eigen terrein Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate, zijnde de (toename van de) parkeerbehoefte - ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort (de parkeereis). De bevoegdheid tot het stellen van parkeereisen wordt in het kader van de vereiste belangenafweging tevens aanwezig geacht indien geoordeeld moet worden over een verzoek om afwijking van een geldend bestemmingsplan (toepassing van artikel 2.12 van de Wabo, waarbij al dan niet sprake is van een bouwactiviteit, zoals bij functie- c.q. gebruikswijzigingen). Ook in dat geval worden de Parkeernormennota en deze Beleidsregels als richtinggevend beschouwd. De parkeerplaatsen mogen niet onderbemeten en moeten goed bereikbaar zijn. Daarvoor gelden specifieke technische eisen (artikel 2.5.30, lid 4) Onder het (eigen) terrein wordt begrepen het bouwterrein waarop de bebouwing is of wordt opgericht, inclusief het daarbij behorende open erf of terrein, dat als zodanig (mede), zowel publiekrechtelijk als privaatrechtelijk als parkeerterrein in gebruik genomen mag en kan worden. Zodra niet op eigen terrein wordt voorzien kan slechts met gebruikmaking van een afwijkingsbevoegdheid (“ontheffing”) medewerking worden verleend. Dat is althans de hoofdregel. 3.1.1 Berekening (toename) parkeerbehoefte De parkeerbehoefte wordt berekend aan de hand van de door de raad vastgestelde parkeernormen. Artikel 2.5.30 regelt – en de Raad van State heeft dat meerdere malen bevestigd – dat slechts behoeft te worden voorzien in de toename van de parkeerbehoefte, oftewel via artikel 2.5.30 kan niet worden afgedwongen, dat tevens wordt voorzien in de opheffing van een reeds bestaand tekort aan parkeerplaatsen. Het gaat immers om de toename van de druk op de openbare ruimte tengevolge van het bouwplan. Om de toename van de parkeerbehoefte te kunnen berekenen dient van de nieuwe parkeerbehoefte van het complex de bestaande parkeerbehoefte te worden afgetrokken. Uiteraard speelt daarbij dus ook mee de mate waarin zowel in de bestaande als in de nieuwe situatie op eigen terrein in de parkeerbehoefte wordt voorzien. Parkeerdruk is immers de mate waarin niet op het eigen terrein in de parkeerbehoefte wordt voorzien. Oftewel :De parkeerdruk in de bestaande situatie moet worden vergeleken met de nieuwe parkeerdruksituatie. Het berekening van de toename van de parkeerdruk lijkt eenvoudiger dan het soms is. Weliswaar kan de nieuwe parkeerbehoefte aan de hand van duidelijke normen vrij nauwkeurig en objectief worden bepaald, anders ligt dat soms ten aanzien van de berekening van de bestaande parkeerbehoefte. Beleidsregel 3.1: Parkeerbehoefte volgens 2.5.30 Bouwverordening De parkeerbehoefte als bedoeld in artikel 2.5.30 van de Bouwverordening wordt berekend aan de hand van de door de gemeenteraad in haar Nota Parkeernormen 2013 vastgestelde parkeernormen en gebiedsindelingskaart. De parkeernormen worden voorts toegepast met inachtneming van de hieronder genoemde regels, uitgangspunten begripsbepalingen als bedoeld in paragrafen 3.1.1 tot en met 3.1.10. 3.1.2 Aanwezigheidspercentages (meervoudig gebruik) Als binnen een bouwinitiatief meerdere functies worden gerealiseerd, vallen de piekmomenten in parkeerbehoefte van die functies mogelijk niet altijd samen. Gecombineerd gebruik binnen een gebied is dan mogelijk maar hangt af van de mate van openbaarheid en de locaties van de parkeervoorzieningen en van de loopafstanden naar de bestemming. Door het combineren van verschillende functies kan (een deel van) de benodigde parkeercapaciteit wellicht meervoudig gebruikt worden . In dat geval zijn er dus minder parkeerplaatsen nodig dan de volgens een simpele optelsom van de deelparkeerbehoeften per functie en/of deelontwikkeling. Daarom wordt gesproken over een “parkeerbalans”. Met een parkeerbalans wordt de onbalans tussen de parkeervraag en parkeeraanbod binnen een bepaald gebied berekend. Het is dus niet noodzakelijk om in een gebied de som van de vraag naar parkeerplaatsen van de afzonderlijke functies aan te leggen: Een deel daarvan volstaat. Een optimaal gebruik van de (openbare) parkeerruimte wordt daarmee bevorderd. Bij het opstellen van een parkeerbalans vormt het parkeerbeleid het uitgangspunt. Zaken als geldende parkeernormen, parkeerregulering (waaronder betaald parkeren, vergunninghouders en gereserveerde parkeerplaatsen) aanwezigheidspercentages, omvang parkeren op eigen terrein en acceptabele loopafstanden zijn van invloed op de parkeerbalans. De parkeervraag per periode wordt bepaald met behulp van de parkeernormen en de aanwezigheidspercentages voor gecombineerd gebruik. De aanwezigheidspercentages voor de verschillende periodes van de dag/week zijn in de tabel weergegeven. De percentages worden toegepast wanneer minimaal twee functies gebruik kunnen maken van dezelfde parkeervoorzieningen. Op sommige momenten op de dag zullen tussen bepaalde functies fricties ontstaan. Met de verruimde openingstijden van winkels kunnen bijvoorbeeld fricties ontstaan tussen de winkelbezoekers en de van het werk terugkerende bewoners. De Raad van State accepteert dat niet onder alle omstandigheden op ieder moment voldoende parkeergelegenheid aanwezig is. Een combinatie van functies betekent automatisch een combinatie van parkeernormen, waarbij aan de hand van de onderstaande aanwezigheidspercentages de toegestane mate van dubbelgebruik wordt bepaald: Aanwezigheidspercentages Elke functie of voorziening heeft een karakteristiek mobiliteitspatroon. Praktijkervaring heeft bovenstaande aanwezigheidspercentages opgeleverd. Deze dienen voor het berekenen van dubbelgebruik van parkeerruimte. Hoe wordt dit berekend? Bijvoorbeeld: combinatie van kantoren en appartementen (woningen) afzonderlijke parkeereis per functie bepalen per dagdeel met behulp van aanwezigheidspercentages berekenen welk deel van deze parkeereis daadwerkelijk wordt gebruikt per dagdeel benodigd aantal parkeerplaatsen optellen; Het bepalen van de mate van meervoudig gebruik hangt af van de maatgevende momenten van de betreffende functies . Het aantal parkeerplaatsen benodigd op het maatgevende moment (wanneer parkeervraag het hoogst is) is de parkeerbehoefte. Beleidsregel 3.1.2 Berekening dubbelgebruik: Aanwezigheidspercentages Ook als een initiatief niet voorziet in parkeren op eigen terrein, maar gebruik maakt van parkeerplaatsen in de openbare ruimte, worden de aanwezigheidspercentages in deze paragraaf genoemd gebruikt bij het bepalen van de parkeerdruk op verschillende momenten. Door te rekenen met dubbelgebruik wordt tegemoet gekomen aan de wens om de parkeereis (en eventueel bijbehorende parkeerbijdrage) afhankelijk te maken van de functie en het moment van de parkeerbehoefte.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel