1. Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken of
wijzigen:
a. op verzoek van de vergunninghouder;
b. wanneer de vergunninghouder het gebied, waarvoor de vergunning is
verleend, metterwoon verlaat of het daar uitgeoefende beroep of bedrijf
beëindigt;
c. wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden
die relevant waren voor het verlenen van de vergunning;
d. wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt
te vervallen;
e. wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de
vergunning verbonden voorschriften;
f. wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste
gegevens zijn verstrekt;
g. om redenen van openbaar belang.
2. Een besluit tot het intrekken of wijzigen van een vergunning is met
redenen omkleed. De betrokkene wordt van het intrekken of wijzigen van
de vergunning schriftelijk in kennis gesteld.
Afdeling II
Artikel 6
Artikel 6
Onderdeel van Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren