De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid van de WWB bedraagt 20% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder als in diens woning niet een ander zijn hoofdverblijf heeft en de belanghebbende daardoor de noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen, dan wel anderszins de noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen.
De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid van de WWB bedraagt 10% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf heeft en die daardoor de noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen.
Er wordt geen toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid van de WWB toegepast bij de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens woning meer dan één ander zijn hoofdverblijf heeft en die daardoor de noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen.
Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft.
Een inwonend kind dat jonger is dan 21 jaar.
Een inwonend kind met een inkomen dat lager is dan 50% van het netto wettelijkminimumloon.
Een inwonend kind dat deelneemt aan onderwijs waardoor recht bestaat op een inkomen ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 of Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS).
Personen met een zorgbehoefte en verzorgenden tussen wie een eerste of tweedegraads bloedverwantschap bestaat.
Asielzoekers met een vervangende verstrekking als bedoeld in artikel 3 van hetministerieel besluit 691161/98DVB dat is gebaseerd op de bevoegdheid in artikel 4 RVA 1997 om bepaalde categorieën asielzoekers van verstrekkingen als bedoeld in artikel 5 RVA 1997 uit te sluiten.
Hoofdstuk
Artikel 5
Toeslagen voor alleenstaanden en alleenstaande ouders
Onderdeel van Verordening WWB, IOAW en IOAZ: eigen verantwoordelijkheid, participatie en inkomen 2014