Naar hoofdinhoud
1. De leden van de raad worden benoemd door het college. De leden van de raad die de belangenorganisaties als bedoeld in artikel 7, lid 4 vertegenwoordigen, worden benoemd door het college op voordracht van deze organisaties. 2. De functie van (steun)lid van de gemeenteraad is onverenigbaar met de functie van lid van de raad. 3. De zittingsduur van de leden is, behoudens tussentijds aftreden, gelijk aan de zittingsduur van de gemeenteraad. 4. De leden treden af en zijn herbenoembaar. De zittingsperiode is maximaal 8 jaar. De afgetreden leden blijven hun functie waarnemen, totdat een nieuwe benoeming heeft plaatsgevonden. De  leden van de raad starten binnen  3 maanden na benoeming van de leden van de gemeenteraad met hun proefperiode van 3 maanden. Indien het aantal kandidaten dat zich beschikbaar stelt niet leidt tot het benodigde aantal leden worden cliënten en organisaties benaderd om kandidaten beschikbaar te stellen.  Bij tussentijds opengevallen plaatsen geschiedt de benoeming op dezelfde wijze en bij voorkeur binnen 3 maanden na het ontstaan van de vacature. 5. Eindigt de hoedanigheid op grond waarvan een lid benoembaar is, dan houdt hij op lid van de raad te zijn. 6. Het college ontslaat de leden van de raad. Indien een meerderheid van de raad van mening is dat een lid zich stelselmatig aan zijn verplichtingen onttrekt kan hij besluiten dat lid voor ontslag voor te dragen aan het college. 7. De cliënten die zitting nemen in de raad zijn gehouden aan de rechten en plichten die onlosmakelijk zijn verbonden met de uitkering.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel