Naar hoofdinhoud
Het dagelijks bestuur is in ieder geval bevoegd tot: het nemen van conservatoire maatregelen zowel in als buiten rechte en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming en verjaring en verlies van recht of bezit; het voeren van rechtsgedingen en het instellen van (hoger) beroep; benoeming, schorsing en ontslag van de directeur en het personeel van het GBT; het regelen van de rechtspositie en arbeidsvoorwaarden van de directeur en het personeel; uitoefening van de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Wet milieubeheer en de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de Minister van Financiën, het bestuur van ’s Rijksbelastingdienst en de directeur, respectievelijk het college van burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur van de deelnemers; de aanwijzing van een of meer ambtenaren van het GBT als heffingsambtenaar en als invorderingsambtenaar; de aanwijzing van een of meer (onbezoldigd) ambtenaren van het GBT of een gerechtsdeurwaarder als belastingdeurwaarder; het aanwijzen van een of meer ambtenaren van het GBT als ambtenaar van het GBT als bedoeld in artikel 1 onder l.; het stellen van nadere regels met betrekking tot de heffing en invordering van belastingen en rechten; het vaststellen van instructies en beleids- en uitvoeringsregels voor de heffingsambtenaar, invorderingsambtenaar, de ambtenaar van het GBT en de (onbezoldigd) belastingdeurwaarder voor de uitoefening van hun bevoegdheden; het geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren van de belasting; het besluiten tot het aanbesteden van leveringen en diensten. het besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het GBT; het doen van aangifte van strafbare feiten, waarvan het kennis heeft genomen; en de voorbereiding van het afhandelen van het administratief beroep van kwijtschelding.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel