Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 1

Artikel 2.3.1.2

Exploitatievergunning horecabedrijf

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Bladel 2008

1. Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met het geldende bestemmingsplan. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 4. Geen vergunning is vereist voor een horecabedrijf dat zich bevindt in: een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van het horecabedrijf een nevenactiviteit van de winkelactiviteit vormt; een zorginstelling; een museum; een bedrijfskantine of –restaurant. 5. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod genoemd in het eerste lid aan horecabedrijven die aan te merken zijn als horecabedrijf in de zin van artikel 1 van de Drank- en Horecawet, indien: zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en –handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting, dan wel de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, 2de en 3de lid. 6. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident voordoet als bedoeld in het vijfde lid onder a. 7. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig besluiten) is niet van toepassing op dit artikel.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel