**a..** Op grond van het bepaalde in artikel 2.33 lid 2 onder a van de Wabo is het college van burgemeester en wethouders bevoegd en een verleende vergunning voor de activiteit bouwen van een bouwwerk geheel of gedeeltelijk in te trekken indien niet binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning met de bouwwerkzaamheden een begin is gemaakt.
**b..** Het college van burgemeester en wethouders zal van de onder a genoemde bevoegdheid actief gebruik maken indien niet binnen 52 weken een begin is gemaakt met de bouwwerkzaamheden.
**c..** Het college van burgemeester en wethouder zal van de onder a genoemde bevoegdheid reeds na 26 weken gebruik maken indien zich zwaarwegende planologische gevallen voordoen.
**d..** Van zwaarwegende planologische belangen is sprake als voor het betreffende gebied waar het vergunde object is gesitueerd een bestemmingsplan in voorbereiding is en het vergunde object de planologische ontwikkeling frustreert. Er moet minimaal sprake zijn van een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) of een ontwerp-bestemmingsplan ter inzage is gelegd en gepubliceerd.
**e..** Als niet tijdig met de bouwwerkzaamheden een begin is gemaakt wordt aan vergunninghouder een voornemen tot intrekken van de vergunning bekend gemaakt volgens artikel 10 van de beleidsregels.
**f..** Als een zienswijze is ingediend wordt bekeken of de ingediende zienswijze aanleiding is tot het gunnen van een ruimere termijn volgens artikel 8 van de beleidsregels.
**g..** De onder f genoemde termijn wordt per concreet geval bepaald, maar bedraagt nooit meer dan 156 weken na het onherroepelijk worden van de verleende omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.
Artikel 2
intrekkingregels bij het uitblijven van de start van de bouw.
Onderdeel van Beleidsregels intrekken omgevingsvergunning