1. Het college gaat niet over tot toepassing van de coördinatieregeling dan nadat het de raad hiervan in kennis heeft gesteld en de raad in de gelegenheid is gesteld hierover binnen twee weken zijn wensen en bedenkingen kenbaar te maken.
2. Het college kan een procedureregeling vaststellen ten behoeve van een goede uitvoering van de coördinatie als bedoeld in deze verordening.
3. De procedureregeling geeft in ieder geval aan binnen welke periode aanvragen ingediend moeten worden om voor coördinatie in aanmerking te kunnen komen.
4. De procedureregeling kan bepalen hoe het college toepassing geeft aan artikel 3:20 van de Awb.
5. Zolang het college geen procedureregeling heeft vastgesteld, zijn bij de coördinatie de artikelen 3.30 tot en met 3.32 van de Wro en 3.5.3 van afdeling 3.5 ‘Samenhangende besluiten’ van de Awb met uitzondering van artikel 3.28 en 3.29 van de wet van toepassing.
6. Bij toepassing van lid 4 is het college het aangewezen coördinerende orgaan als bedoeld in artikel 3:22 van de Awb.
7. Als de gemeenteraad besloten heeft dat het wenselijk is dat de coördinatieregeling wordt toegepast in één of meer andere gevallen dan de gevallen die op grond van deze verordening mogelijk zijn, dan zijn de leden 1 tot en met 5 van toepassing op de voorbereiding van de besluiten die behoren bij die gevallen.