**1..** Het algemeen bestuur stelt jaarlijks, uiterlijk op 1 juli van het jaar volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft, nadat de raden van de deelnemende gemeenten overeenkomstig artikel 35 van de Wet gemeenschappelijke regelingen hun zienswijze naar voren hebben kunnen brengen, het jaarrapport vast.
**2..** Het jaarrapport omvat, naast een jaarrekening met een overzicht van de baten en lasten over het begrotingsjaar, ook een inhoudelijk jaarverslag.
**3..** Het algemeen bestuur voegt daarbij een verslag van een onderzoek naar de deugdelijkheid van de rekening, evenals wat het algemeen bestuur verder voor zijn verantwoording nodig acht.
**4..** Na de vaststelling van het jaarrapport zendt het algemeen bestuur dit aan de raden van de deelnemende gemeenten, die ter zake bij Gedeputeerde Staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.
**5..** Het algemeen bestuur zendt het jaarrapport binnen twee weken na de vaststelling, met inachtneming van het gestelde in artikel 34 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, aan Gedeputeerde Staten.
**6..** Een batig saldo wordt uitgekeerd aan de deelnemende gemeenten op basis van het bepaalde in artikel 23 van deze regeling. Een nadelig saldo wordt ten laste gebracht van de deelnemende gemeenten op basis van het bepaalde in artikel 23 van deze regeling.
**7..** In afwijking van het gestelde in het zesde lid kan een batig saldo worden bestemd voor dekking van de kosten van het uitvoeringsprogramma van het daarop volgende kalenderjaar, danwel voor de vorming van of toevoeging aan een algemene reserve. Tevens kan een nadelig saldo geheel of gedeeltelijk ten laste worden gebracht van de algemene reserve. Deze reserve mag ten hoogste omvatten 10 procent van de begroting van het jaar, volgend op het jaar waarop de rekening betrekking heeft.