Naar hoofdinhoud
Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4° , 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen: een huishouden te voeren; zich te verplaatsen in en om de woning; zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel; medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien. Het compensatiebeginsel, zoals opgenomen in artikel 4 van de wet, strekt ertoe een algemene plicht aan gemeenten op te leggen om beperkingen weg te nemen in de zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal per vervoermiddel te verplaatsen en het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Onder zelfredzaamheid wordt in dit verband verstaan het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken. Onder normale deelname aan het maatschappelijke verkeer wordt in ieder geval verstaan: het kunnen voeren van een huishouden; het normale gebruik van een woning; het zich in en om de woning kunnen verplaatsen; het zich zodanig kunnen verplaatsen dat aansluiting kan worden gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoerssystemen; het kunnen ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier te kunnen deelnemen aan het lokale sociaal-maatschappelijk leven. Het compensatiebeginsel geeft gemeenten de verplichting om beperkingen te compenseren die iemand ervaart bij het voeren van een huishouden, bij het ontmoeten van mensen of in het vervoer. De gemeente kijkt samen met de cliënt welke voorzieningen en hulpmiddelen nodig zijn om de hindernissen weg te nemen. Het gaat daarbij om hindernissen in-en-om het huis, in het lokaal vervoer en in het sociale verkeer. De gemeente is verplicht om invulling te geven aan het compensatiebeginsel. Hoe de gemeente invulling geeft aan het compensatiebeginsel, mag iedere gemeente zelf weten. De gemeente kan bijvoorbeeld een afweging maken tussen individuele voorzieningen (zoals een auto-aanpassing) of collectieve voorzieningen (zoals een belbus). Gemeentelijke visie op toepassing compensatiebeginsel Het compensatiebeginsel is gericht op het compenseren van personen die beperkingen ondervinden in hun zelfredzaamheid en hun maatschappelijke participatie. Hiervoor dienen voorzieningen te worden getroffen die hen in staat stellen om: een huishouden te voeren; zich te verplaatsen in en om de woning; zich lokaal te verplaatsen; medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Een huishouden te voeren Voor personen bij wie beperkingen zijn geconstateerd voor het voeren van een huishouden kan de gemeente een voorziening verstrekken. Bij de beoordeling wordt in eerste instantie gekeken naar de gezinssituatie en het sociale netwerk van de persoon. Indien vanuit het huishouden of het sociale netwerk voldoende ondersteuning kan worden geboden is een aanvullende voorziening niet noodzakelijk. Zich te verplaatsen in en om de woning Indien beperkingen worden ondervonden bij het verplaatsen in en om de woning dient hiervoor een compensatie aangeboden te worden. Deze voorziening kan bestaan uit een woningaanpassing, rolstoel, vervoersvoorziening maar ook uit het aanbod van hulp bij het huishouden of andere voorziening om op deze wijze de beperking op te heffen of te verminderen en normaal gebruik van de woning mogelijk te maken. Zich lokaal te verplaatsen Indien belemmeringen worden ondervonden bij het lokaal verplaatsen voor deelname aan het maatschappelijk verkeer kan een voorziening worden aangeboden. De voorziening zal er op zijn gericht om aan te sluiten op bovenregionale vervoersystemen (Valys). Medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaanBij de beoordeling van de voorziening die wordt aangeboden dient rekening te worden gehouden met de mate waarin de voorziening bijdraagt om de persoon in de gelegenheid te stellen medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Het aanbod van voorzieningen gaat verder dan alleen voor de persoon die een belemmering ondervindt. Zo kan bijvoorbeeld ook bij (dreigende) overbelasting van een mantelzorger extra huishoudelijke verzorging ingezet worden. Op deze wijze kan de mantelzorger in staat worden gesteld om sociale verbanden aan te gaan. De reikwijdte van het compensatiebeginsel In de wet wordt vastgesteld dat personen, die beperkingen ondervinden in hun zelfredzaamheid en hun maatschappelijke participatie, gecompenseerd moeten worden. Het aanbod van de voorzieningen is er op gericht om de persoon in zoverre te compenseren dat hij in staat wordt gesteld om: een huishouden te voeren; zich te verplaatsen in en om de woning; zich lokaal te verplaatsen; medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Met de compensatie op voorgaande aspecten wordt getracht om een zo goed mogelijke vergelijkbare positie te creëren als bij een persoon zonder beperkingen. Het compensatiebeginsel is er niet op gericht om de persoon in de hoogst mogelijke graad te compenseren dat hij/zij in staat is om dezelfde activiteiten te verrichten als een niet-gehandicapte persoon. Personen die beperkingen ondervinden worden vaak ook verbonden met (verborgen) meerkosten. Bijvoorbeeld extra kleding of extra beddengoed. Vanuit de Wmo is er geen verplichting om alle meerkosten te compenseren. Zo zal een gemeente alleen voorzieningen treffen om op bovenstaande vier aspecten een persoon te compenseren. Om dit te kunnen realiseren zal de gemeente adequate voorzieningen moeten treffen. Voor deze voorziening geldt echter wel dat ook aandacht moet worden besteed aan de meerkosten die direct gerelateerd zijn aan de voorziening. Hierbij valt te denken aan de verzekering en het onderhoud van de voorziening. Individueel maatwerk Essentieel onderdeel van de compensatieplicht is het maatwerk dat dient te worden geboden. Bij de beoordeling van de individuele voorziening dient rekening gehouden te worden met de persoon. Hierbij gaat het in ieder geval om: fysieke en mentale omstandigheden die samenhangen met de ziekte of beperking, in het bijzonder progressief verloop; de gezinssituatie, de leefsituatie en de directe en sociale omgeving; sociale en culturele activiteiten, vrijwilligerswerk en educatie; sociale contacten, familiecontacten en andere contacten; ontwikkelingen in de tijd met betrekking tot de hierboven genoemde omstandigheden. Geen onderscheid wordt evenwel gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur en de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. Adequaat goedkoopste voorziening Het criterium goedkoopst-adequaat betekent dat een voorziening op de eerste plaats geschikt moet zijn voor het doel waar het voor verstrekt wordt. Als er meer dan één voorziening geschikt is, dan wordt gekozen voor de goedkoopste voorziening. Het normale gebruik van de woning Bij het beoordelen van een aanvraag wordt het normaal gebruik van de woning als uitgangspunt gehanteerd. Onder het normale gebruik van een woning wordt verstaan dat de woning geschikt moet zijn en vrij ter gebruik moet staan voor de bewoners met betrekking tot koken, eten, slapen, douche- en toiletgebruik. Het gebruik van ruimtes ten behoeve van hobby’s of andere recreatie wordt niet beschouwd als het normale gebruik van een woning. Ook het recreatieve gebruik van tuin, balkon en terras vallen, in het kader van de Wmo, buiten het normale gebruik van een woning. Indien het gebruik van een achtertuin noodzakelijk is in verband met de noodzakelijke ontsluiting of bijvoorbeeld de stalling van een vervoermiddel welke in het kader van de Wmo is verstrekt, is er geen sprake van recreatief gebruik en valt het gebruik van de tuin wel onder het normale gebruik van de woning. Algemeen gebruikelijk Voorzieningen die als algemeen gebruikelijk kunnen worden beschouwd vallen buiten de reikwijdte van het gemeentelijke verstrekkingenbeleid. Een door een persoon met een beperking gevraagde voorziening is algemeen gebruikelijk indien een persoon zonder beperking, die zich voor wat betreft leeftijd, inkomen, etc. in een vergelijkbare positie bevindt, naar maatschappelijke maatstaf en redelijkerwijs de beschikking zou (kunnen) hebben over een dergelijke voorziening. Om deze definitie te concretiseren is er een viertal indicatiecriteria: Het aan te schaffen object kan voor een persoon zonder beperking in een financieel vergelijkbare positie tot het normale aanschaffingspatroon worden gerekend; Het is gewoon te koop; Het is niet duurder dan soortgelijke producten; Het is niet speciaal voor mensen met een beperking. 1.2 Algemene voorziening Onder een algemene voorziening vallen voorzieningen die voor alle burgers binnen de gemeente toegankelijk zijn. Hiervoor is tussenkomst van de gemeente niet van toepassing. Een algemene voorziening als voorliggende voorziening Bij de beoordeling van een individuele aanvraag wordt beoordeeld in hoeverre er algemene voorzieningen zijn die de geconstateerde belemmering kunnen opvangen. Zo zal bij een klant die aangeeft dat hij/zij belemmeringen ondervindt bij de maaltijdbereiding beoordeeld dienen worden of de maaltijdvoorzieningen (=algemene voorziening) toereikend is. Is dit niet het geval, dan kan er hulp bij het huishouden worden geïndiceerd voor deze behoefte. Bij deze beoordeling dient ook rekening te worden gehouden met de mate waarin de klant vanuit het oogpunt van kosten in deze voorziening kan voorzien.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel