1.Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor devoorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet,wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van hetbenadelingsbedrag.
Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de volgende wijze vastgesteld:
bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,00: 10% van de bijstandsnorm gedurende eenmaand;
b.bij een benadelingsbedrag van € 1.000,00 tot € 2.000,00: 20% van de bijstandsnormgedurende een maand;
c.bij een benadelingsbedrag van € 2.000,00 tot € 4.000,00: 50% van de bijstandsnormgedurende een maand;
d.bij een benadelingsbedrag van € 4.000,00 tot € 8.000,00: 100% van de bijstandsnormgedurende een maand;
e.bij een benadelingsbedrag van € 8.000,00 tot € 12.000,00: 100 % van de bijstandsnormgedurende twee maanden;
f.bij een benadelingsbedrag van € 12.000,00 tot € 16.000,00: 100 % van de bijstandsnormgedurende drie maanden;
g.bij een benadelingsbedrag van € 16.000,00 tot € 20.000,00: 100 % van de bijstandsnormgedurende vier maanden;
h.bij een benadelingsbedrag vanaf € 20.000,00: 100% van de bijstandsnorm gedurende vijfmaanden. Bij iedere overschrijding van het hiervoor genoemde benadelingsbedrag met €4.000,00 wordt de in dit lid aangegeven duur van de maatregel van 100 % met een maandverlengd.
HOOFDSTUK 4
Artikel 14
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand