Op basis van bovenstaande wordt het volgende voorgesteld:
Voor ogen staat het planologisch waarborgen van een goed leef- en woonklimaat, dat handhaafbaar is.
Kijk of het bestemmingsplan aanknopingspunten biedt voor gebruiksbeperkingen van een agrarisch terrein, gelegen binnen een straal van 50 m van het terrein waar een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling met een gevoelige functie is gepland. Doorgaans is zulks niet het geval.
Uitgangspunt is 50 m tussen gevoelige objecten, zoals (recreatie)woning, tuin, terras, camping) en waar het planologisch mogelijk is om open teelten te realiseren, hetgeen planologisch verankerd wordt.
Indien de afstand van 50 m aantoonbaar niet mogelijk is, kan op basis van het rapport van Plant Research International (v.d. Zande) de afstand als volgt verkleind worden. Daarbij wordt belanghebbende gewezen op het afbreukrisico, dat bestaat en dat niet afgewenteld mag worden op de gemeente:
zonder afschermende voorziening wordt de afstand teruggebracht tot 40 m van de buitenste bomenrij;
indien dit geen soelaas biedt wordt de afstand teruggebracht tot tenminste 30 m vanaf de buitenste bomenrij, mits een niet-bladhoudende windhaag (haag die in winter blad verliest) of soortgelijke voorziening, niet zijnde een conifeer, met een hoogte van ten minste 3 meter op de rand van het perceel wordt gerealiseerd, hetgeen planologisch gewaarborgd wordt;
indien dit geen soelaas biedt wordt de afstand teruggebracht tot tenminste 20 m vanaf de buitenste bomenrij, mits een bladhoudende windhaag (haag die in winter blad behoudt, zoals haagbeuk) of soortgelijke voorziening met een hoogte van ten minste 3 meter op de rand van het perceel wordt gerealiseerd, hetgeen planologisch gewaarborgd wordt;
voor het geval een afstand van tenminste 20 meter nog steeds geen soelaas biedt kan een dubbele, niet bladhoudende, windhaag met een hoogte van tenminste 3 meter worden aangebracht op een afstand van 4 m van elkaar, waarvan de eerste windhaag op de rand van het perceel wordt gerealiseerd, in welk geval de afstand verder worden teruggebracht tot tenminste 10 m, gemeten vanaf de buitenste windhaag.
De spuitzone wordt planologisch geregeld. Indien in dat kader voorzieningen aangebracht en beheerd dienen te worden dient in de planologische regeling aandacht besteed te worden aan type, hoogte en beheer van de afschermende voorziening.
De wettelijke basis voor deze notitie ligt in artikel 108 Gemeentewet. In geval van bestuurlijke instemming kan deze worden aangemerkt als een beleidsregel op grond van de Algemene wet bestuursrecht en kan deze na bekendmaking worden toegepast.
Eijsden-Margraten, oktober 2013.