De afstand en overbrugging vanaf een opstelplaats tot objecten en bluswatervoorzieningen doen recht aan de middelen en mogelijkheid van een brandweereenheid.
Elke incidentlocatie kent een opstelplaats: een veilige, doelmatige en goed bereikbare plaats voor brandweervoertuigen van waaruit de inzet kan plaatsvinden. Deze opstelplaats kan en zal vaak samenvallen met de openbare weg. Specifieke locaties als natuurgebieden en infrastructuur vragen maatwerk.
De afstand van de opstelplaats tot de incidentlocatie is aan een functioneel maximum gebonden. De eerste inzet zal in de regel plaatsvinden met een HD straal van 60 meter 1, wat de maximale inzetdiepte is. Voor een eengezinswoning is de verwachting dat 20 meter HD straal binnen voldoende zal zijn. Daarom mag er een maximale afstand zijn van 40 meter tussen de opstelplaats en een eengezinswoning. Voor andere gebouwtypen wordt er een maximale afstand van 10 meter aangehouden, waarna er 50 meter rest aan inzetdiepte (zie ook afbeelding 4).
1 60 meter is gebaseerd op de gegarandeerde inzet lengte van een hogedruk straal, in de regel zijn nieuwe hogedruk stralen 90 meter.
Echter mag de afstand van een opstelplaats van een brandweervoertuig tot ieder punt in een bouwwerk niet groter zijn dan 60 meter. Indien hier niet aan kan worden voldaan, dient een alternatief ter goedkeuring worden overlegd bij de afdeling brandweer, cluster risicobeheersing.
Afbeelding 4; Incidentlocaties.
Naast de bovengenoemde functionele afstand geldt er ook een strategische ligging. Een opstelplaats voor een blusvoertuig mag niet zodanig ten opzichte van een gebouw, bouwwerk of opslag zijn gesitueerd dat binnen 30 minuten na het ontstaan van een brand of ongeval het opgestelde voertuig gevaar of schade kan oplopen door de gevolgen van de brand of het fysieke ongeval. Een strategisch gelegen opstelplaats bevindt zich dus buiten het invloedsgebied van het incident. Voor het bestrijden van incidenten dienen er ook bluswatervoorzieningen voorhanden te zijn. Voor deze voorzieningen geldt een minimale benaderbaarheid, in die zin dat een brandweervoertuig de voorziening tot op een minimale afstand kan benaderen. Deze hoeft niet altijd een relatie te hebben met de opstelplaats omdat er vaak gekozen wordt dicht bij de toegang van een incidentlocatie op te stellen en terug te werken naar de bluswatervoorziening en niet andersom.
De functionele relatie tussen de bluswatervoorziening en het brandweervoertuig is veelal gebaseerd op een brandslang van 20 meter. Standaard beschikt een TS over 16 75 mm slangen (branche voorschrift) hiervan worden 4 slangen gebruikt om de afstand tussen opstelplaats TS en object (max. 40 meter, dubbel afgelegd) te overbruggen. Er blijven 12 slangen over om de afstand tussen opstelplaats en brandkraan te overbruggen. Dit komt neer op een maximale afstand van (6 x 20 meter, dubbel afgelegd) 120 meter. Wanneer hierbij 1 slanglengte als marge wordt aangehouden is de conclusie dat de maximale afstand tussen brandkraan en blusvoertuig op 100 meter gesteld kan worden.
Wanneer er een droge blusleiding in een object noodzakelijk is, geldt er een maximale afstand tussen een brandkraan en een blusvoertuig van 15 meter. Voorzieningen als een opstelplaats, open water of een bluswaterriool vragen maatwerk.
De maatvoering voor opstelplaatsen van brandweervoertuigen staan omschreven in paragraaf 2.1.
Hoofdstuk 1
Artikel 1.2.4
Vierde eis
Onderdeel van Beleidsregels bluswatervoorziening en bereikbaarheid objecten