Naar hoofdinhoud

Artikel Voorbereidingsbesluit

Artikel Voorbereidingsbesluit

Onderdeel van Verordening openbaar vaarwater 2006

1.. In afwijking van artikel 3 houden burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag om ligplaatsvergunning of –ontheffing aan indien er geen grond is om de vergunning of ontheffing te weigeren en voor het gebied, waarin het schip zal worden afgemeerd, vóór de dag van ontvangst van de aanvraag een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening in werking is getreden, een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd, een bestemmingsplan is vastgesteld, dan wel een bestemmingsplan na vaststelling is bekendgemaakt. 2.. De aanhouding duurt totdat het voorbereidingsbesluit overeenkomstig artikel 3.7, vijfde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is vervallen; de termijn voor vaststelling van het bestemmingsplan ingevolge artikel 3.8 eerste lid onder e van de Wet ruimtelijke ordening is overschreden; de termijn voor bekendmaking van het bestemmingsplan ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid van de Wet ruimtelijke ordening is overschreden; het bestemmingsplan in werking is getreden dan wel in beroep is vernietigd; de verordening, bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening of de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 4.3 van die wet in werking is getreden. 3.. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders de ligplaatsvergunning of –ontheffing verlenen indien het schip waarmee ligplaats zal worden ingenomen niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent de aanvraag om ligplaatsvergunning of -ontheffing overeenkomstig artikel 3. 4.. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders de ligplaatsvergunning of -ontheffing verlenen indien het schip waarmee ligplaats zal worden ingenomen niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan dan wel met het provinciaal en nationaal ruimtelijk beleid. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent de aanvraag om ligplaatsvergunning of –ontheffing overeenkomstig artikel 3. 5.. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders de ligplaatsvergunning of ontheffing eveneens verlenen indien het beoogde schip in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan, mits de ontwerpligplaats-vergunning of -ontheffing is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vergunning of ontheffing geen bezwaar hebben. Het besluit tot vergunning- of ontheffingverlening bevat een beschrijving van het betrokken bouwplan, de ruimtelijke onderbouwing en de afwegingen die aan het verlenen van vergunning of ontheffing ten grondslag liggen. Op de voorbereiding van het besluit omtrent vergunning- of ontheffingverlening is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. Indien geen verklaring van geen bezwaar is vereist, beslissen burgemeester en wethouders in afwijking van artikel 3:18, eerste en tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht, binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken. Artikel 19a, eerste en vijfde tot en met elfde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is van overeenkomstige toepassing. Het besluit houdende verlening van de verklaring van geen bezwaar wordt geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht deel uit te maken van de beschikking waarop het betrekking heeft. 6.. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders de ligplaatsvergunning of -ontheffing eveneens verlenen indien het beoogde schip in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan en het betreft een geval als bedoeld in artikel 19, tweede of derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. 7.. Op de voorbereiding van een besluit tot vergunningverlening als bedoeld in het zesde lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. 8.. Na het verstrijken van de aanhoudingsduur, bedoeld in het tweede lid, na de bekendmaking van de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in het vijfde lid, of na de terinzageligging overeenkomstig het zevende lid, beslissen burgemeester en wethouders omtrent de aanvraag om ligplaatsvergunning of -ontheffing overeenkomstig artikel 3, zulks in afwijking van artikel 3:18, eerste, tweede en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel