Naar hoofdinhoud
1.. Met inachtneming van het in het derde en vierde lid bepaalde vindt aan de school afvloeiing plaats in de volgende volgorde: eerst de belanghebbende met een tijdelijke aanstelling, met uitzondering van de tijdelijk aangestelde ter vervanging; vervolgens de belanghebbende met een vaste aanstelling. 2.. Binnen elke groepering genoemd in het eerste lid wordt de hiernavolgende volgorde aangehouden: eerst degene die aan het bevoegd gezag schriftelijk te kennen heeft gegeven geen bezwaar tegen afvloeiing te hebben, waarbij de oudste in leeftijd het eerst in aanmerking komt; daarna zij die in aanmerking kunnen komen voor een uitkering ingevolge de Wet Vrijwillig Vervroegd Uittreden, Stbl. 1984, nr. 273, maar daarvan geen gebruik wensen te maken of hebben gemaakt. In geval van gelijke diensttijd gaan ouderen in leeftijd voor jongeren; vervolgens degene die de minste diensttijd heeft, waarbij in geval van gelijke diensttijd de jongste leeftijd het eerst in aanmerking komt. 3.. De directeur van een school voor basisonderwijs vloeit slechts af bij de opheffing van de school. 4.. De belanghebbende die op grond van de eerste twee leden van dit artikel voor afvloeiing in aanmerking komt en die de laatste aan de basisschool verbonden groepsleraar is in het bezit van de akte leidster of hoofdleidster bij het kleuteronderwijs of een hiermee gelijkgestelde akte, wordt tot 31 juli 1990 voor ontslag overgeslagen.

Rechtspraak bij dit artikel