Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 2.2

Langdurig, laag inkomen

Onderdeel van Verordening Langdurigheidstoeslag Helmond 2013

Een referteperiode van 5 jaar, zoals artikel 36 WWB (tekst tot 1-1-2009) voorschreef, wordt in deze verordening gehandhaafd. Door de wetgever wordt in het per 1 januari 2009 aangepaste artikel 36 WWB impliciet een termijn van langdurig aangegeven, doordat de minimumleeftijd door de wetgever is teruggebracht van 23 naar 21 jaar en een belanghebbende is immers (normaal gesproken) vanaf zijn 18e voor de WWB een zelfstandig subject van bijstand. Zoals in de toelichting bij onderdeel b van artikel 2.1 is gesteld is de beste remedie tegen armoede werk. Het lokale (arbeidsmarkt)beleid van Helmond is erop gericht mensen – en zeker jonge mensen – zo snel mogelijk toe te leiden naar werk. Handhaving van de referteperiode van 5 jaar sluit aan bij dit uitgangspunt. De langdurigheidstoeslag is ook met name bedoeld als steuntje in de rug voor mensen die langdurig van het sociaal minimum afhankelijk zijn en over het algemeen minder mogelijkheden hebben om geld te reserveren voor onverwachte hoge kosten, bijvoorbeeld noodzakelijke vervangingsuitgaven. Een periode van 5 jaar lijkt daarom een reële termijn. Het begrip ‘langdurig, laag inkomen’ wordt ingevuld als een inkomen dat gedurende de referteperiode niet hoger is dan 100% van de bijstandsnorm. Een uitzondering geldt voor tijdens de referteperiode ontvangen netto inkomsten boven 100% van de bijstandsnorm tot een bedrag van € 3.820,00. Het bedrag van € 3.820,00 vloeit voort uit de vrijlating ingevolge artikel 31 lid 2 aanhef en onder k WWB en artikel 7 onderdeel h van de Regeling WWB, de zgn. lage vrijwilligersvergoeding. Deze kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk bedraagt, peildatum 1 januari 2011, € 764,00 per jaar. De keuze voor deze definitie van ‘langdurig, laag inkomen’ is genomen omdat een belanghebbende met een inkomen op het minimumniveau krachtens een andere regeling dan de WWB toch in aanmerking kan komen voor het recht op langdurigheidstoeslag ook al zou ten gevolge van een iets andere berekeningssystematiek en/of afrondingsverschillen er netto een iets hogere uitkering worden ontvangen dan de bijstandsnorm. Het bedrag van € 3.820,00 boven 100% van de bijstandsnorm gedurende de referteperiode vangt dit soort kleine verschillen op. Een bedrag aan netto inkomsten tot € 3.820,00 boven 100% van de bijstandsnorm gedurende de referteperiode maakt ook dat iemand wegens werkaanvaarding een korte periode een inkomen boven bijstandsniveau heeft gehad, niet zonder meer zijn recht op langdurigheidstoeslag kwijt is. Een dergelijk gevolg zou namelijk een negatieve prikkel zijn bij het aanvaarden van werk. Dat geldt temeer als een belanghebbende geen of maar weinig zekerheid heeft over de duur van het werk.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel