**1..** Het bevoegd gezag weigert de vergunning indien de vestiging en/of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
**2..** Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren indien naar zijn oordeel door de aan- wezigheid van de inrichting de openbare orde wordt aangetast en/of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting nadelig wordt beïnvloed.
**3..** Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringgrond houdt het bevoegd gezag rekening met:
het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen;
de aard van de inrichting;
de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting;
de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied;
de wijze van bedrijfsvoering van een leidinggevende van de inrichting in deze of in andere inrichtingen;
de wijze van exploitatie van de inrichting in het verleden.
**4..** Een vergunning kan voorts worden geweigerd indien de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is dan wel niet voldoet aan de moraliteitseisen.
**5..** Een vergunning kan voorts worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur.
**6..** Voordat toepassing wordt gegeven aan het vijfde lid, kan het Bureau bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
Hoofdstuk 2. › Afdeling 16.
Artikel 2:83
Weigeringsgronden (*)
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening