Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Afdeling 16.

Artikel 2:83

Weigeringsgronden (*)

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening

1.. Het bevoegde bestuursorgaan weigert de vergunning indien de vestiging en/of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, de beheersverordening op grond van de Wet ruimtelijke ordening, dan wel indien van toepassing een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 2.. Het bevoegde bestuursorgaan weigert de vergunning indien naar zijn oordeel door de aan- wezigheid van de inrichting de openbare orde wordt aangetast en/of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting nadelig wordt beïnvloed. 3.. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringgrond houdt het bevoegde bestuursorgaan rekening met: het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen; de aard van de inrichting; de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting; de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied; de wijze van bedrijfsvoering van een leidinggevende van de inrichting in deze of in andere inrichtingen; de wijze van exploitatie van de inrichting in het verleden. 4.. Een vergunning wordt voorts geweigerd indien de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is dan wel niet voldoet aan de moraliteitseisen. 5.. Een vergunning wordt voorts geweigerd indien er sprake is van een van weigeringsgronden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur (wet Bibob).

Rechtspraak bij dit artikel