Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Artikel 1

Onderdeel van Verordening rioolheffing 2014

Artikel 1  Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt: a. onder gemeentelijke riolering mede begrepen het voor de openbare dienst bestemde gemeentewater; b. onder afvalwater verstaan water en stoffen die worden afgevoerd via de gemeentelijke riolering; c. onder perceel verstaan een roerende of een onroerende zaak; d. onder verbruiksperiode verstaan de periode waarop de afrekening van Vitens betrekking heeft; e. onder veehouder verstaan degene die als zodanig zijn hoofdberoep per 1 mei van het belastingtijdvak in deze gemeente uitoefent. Artikel 2  Belastbaar feit en belastingplicht 1. Onder de naam 'rioolheffing' worden geheven: a. een heffing van degene die bij het begin van het belastingjaar krachtens eigendom, bezit of beperkt recht gebruik maakt van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. b. een heffing van de gebruiker van een perceel van waaruit afvalwater direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. 2. Met betrekking tot de heffing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,  wordt ingeval het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig bij het kadaster bekend staat, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. 3. Met betrekking tot de heffing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt als gebruiker aangemerkt: a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt. b. ingeval een gedeelte van een perceel - niet een gedeelte als bedoeld in artikel 3 - ten gebruike is afgestaan: degene die dat gedeelte in gebruik heeft afgestaan. Artikel 3  Zelfstandige gedeelten Indien gedeelten van een in artikel 2 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, worden de heffingen geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten te samen als een geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt. Artikel 4  Maatstaf van heffing 1. De heffing als bedoeld in artikel 2, lid 1, sub a, wordt geheven per perceel, of gedeelte van een perceel van waaruit afvalwater via het gemeenteriool kan worden afgevoerd. 2. De heffing als bedoeld in artikel 2, lid 1, sub b, wordt geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater dat vanuit een perceel, of een gedeelte van een perceel, via het gemeenteriool wordt afgevoerd. 3. Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat: a. in het belastingtijdvak van Vitens is betrokken; b. in het belastingtijdvak is opgepompt. 4. Indien gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a. watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 5. Ten aanzien van een perceel of een gedeelte van een perceel, waarin een veehouder zijn bedrijf uitoefent, wordt de overeenkomstig het tweede lid bepaalde hoeveelheid water verminderd tot nihil, wanneer er vanuit het bedrijfsgedeelte geen afvalwater wordt afgevoerd via het gemeenteriool. 6. Bij toepassing van lid 5 wordt het aantal kubieke meters, als bedoeld in lid 2, gesteld op 50 per gezinslid, dan wel anderszins inwonend persoon, wonend op hetzelfde adres als waarop het bedrijf is gevestigd. Artikel 5  Belastingtarief 1. De heffing als bedoeld in artikel 2, lid 1, sub a, bedraagt per jaar  €  104,85. 2. De heffing als bedoeld in artikel 2, lid 1, sub b, bedraagt per volle kubieke meter afvalwater € 0,45, met dien verstande dat per belastingtijdvak geen hoger bedrag wordt geheven dan € 11.250,-- (= 25.000 m3). Artikel 6  Belastingtijdvak 1. De heffingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, worden geheven over een aaneengesloten periode die samenvalt met de verbruiksperiode zoals die voor de betrokken belastingplichtige geldt voor de levering van water door Vitens. 2. Ingeval de betrokken belastingplichtige geen nota's ontvangt van Vitens, maar van de gemeente, is het belastingtijdvak gelijk aan het kalenderjaar. 3. De in lid 2 genoemde periode wordt gelijkgesteld met 365 volle dagen. Artikel 7  Wijze van heffing 1. De heffingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, worden geheven bij  wege van een schriftelijke, gedagtekende kennisgeving. Als kennisgeving wordt mede aangemerkt de afrekening van Vitens, waarop het definitief gevorderde bedrag is vermeld. 2. De door Vitens verzonden voorschotnota's worden aangemerkt als voorlopig gevorderde bedragen. De voorlopig gevorderde bedragen worden met het definitief gevorderde bedrag verrekend. 3. Ingeval aan de belastingplichtige geen voorschotnota's c.q. eindafrekening wordt gezonden, wordt als kennisgeving van het gevorderde bedrag aangemerkt de door de gemeente verzonden schriftelijke gedagtekende kennisgeving. 4. Burgemeester en wethouders vorderen een voorlopig bedrag indien het bedrag waarop het gevorderde bedrag vermoedelijk zal worden vastgesteld, zulks naar hun mening rechtvaardigt. Artikel 8  Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De heffingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, zijn verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor de heffingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, zijn de heffingen verschuldigd over zoveel driehonderd vijf en zestigste gedeelten van het voor dat tijdvak verschuldigde heffingen als er in dat tijdvak, na het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht, nog volle dagen overblijven. 3. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor de heffingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel drie honderd vijf en zestigste gedeelten van het voor dat tijdvak verschuldigde heffingen als er in dat tijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle dagen overblijven. 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt. 5. Indien in het belastingtijdvak meer tarieven van toepassing zijn, worden de verschuldigde heffingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, bepaald naar rato van het aantal volle dagen per periode waarin een tarief geldend is, tegen de respectievelijke tarieven per periode. Artikel 9  Termijnen van betaling 1. Het voorlopig gevorderde bedrag en het definitief gevorderde bedrag van de heffing als bedoeld in artikel 2, lid 1, moeten worden voldaan tegelijk met en op dezelfde wijze als die waarop de voorschotnota's c.q. afrekening van Vitens waarop het voorlopig gevorderde bedrag c.q. definitief gevorderde bedrag is vermeld, moeten worden voldaan. 2. In afwijking in zoverre van het bepaalde in lid 1 moet het gevorderde bedrag dat blijkt uit een door de gemeente verzonden schriftelijke gedagtekende kennisgeving, worden voldaan in twee gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van de schriftelijke kennisgeving is vermeld, en de tweede twee maanden later. Artikel 10  Vrijstellingen Geen rioolheffingen worden geheven voor percelen of gedeelten van percelen die uitsluitend dienen voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningsbij¬eenkomsten van levensbeschouwelijke aard. Artikel 11 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de rioolheffing. Artikel 12  Inwerkingtreding en citeertitel 1. De “Verordening rioolheffing 2013”, vastgesteld bij raadsbesluit van 17 december 2012, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2014. 4. Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening rioolheffing 2014”.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel