**1..** Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan het bevoegd gezag
de vergunning intrekken, indien:
aannemelijk is, dat een leidinggevende van de inrichting
betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden
verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting,
die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een
bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de
omgeving van de inrichting;
een leidinggevende van de inrichting toestaat dan wel
gedoogt, dat in zijn inrichting strafbare feiten worden
gepleegd;
een leidinggevende van de inrichting zich schuldig maakt
aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele
geaardheid.
zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben
voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend
bijven van de inrichting gevaar oplevert voor de
openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon-
of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;
is gehandeld in strijd met het bij of krachtens de
artikelen 2.3.4.8 bepaalde;
een niet daarin vermelde persoon leidinggevende is
geworden met betrekking tot de inrichting, waarop de
vergunning betrekking heeft;
er sprake is van het geval en onder voorwaarden, bedoeld
in artikel 3 van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
**2..** Voordat toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, aanhef en
onder g, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen
door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet
bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur,
om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden
gevraagd.
HOOFDSTUK 2 › Afdeling 10a
Artikel 2:40j
Intrekkingsgronden
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Nuenen c.a. 2014