Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder
vergunning van de burgemeester.
De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of
exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een
geldend bestemmingsplan.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester
de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar
zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en
leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de
openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt
beïnvloed.
Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die
zich bevindt in
een winkel als bedoeld in artikel 1 van de
Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de
openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van
de winkelactiviteit;
een zorginstelling;
een museum; of
een bedrijfskantine of – restaurant.
De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve
vrijstelling van het verbod genoemd in het eerste lid aan
openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in
artikel 1 van de Drank- en Horecawet , indien
zich in de zes maanden voorafgaand aan de
inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten
gepaard gaande met geweld, overlast op straat of
drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij
de inrichting, dan wel
de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en
er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld
in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid.
De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident
heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid onder a.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)
is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het
eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in het vijfde
lid.
Hoofdstuk 2. › Afdeling 8.
Artikel 2:28
Exploitatievergunning horecabedrijf
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Koggenland 2012