Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6
trekt de burgemeester de vergunning in, indien:
niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in
artikel 2:34C;
een niet daarin vermelde persoon leidinggevende is
geworden met betrekking tot de inrichting, waarop de
vergunning betrekking heeft.
de vergunninghouder in het in artikel 2:34I bedoelde
geval geen melding als bedoeld in dat artikel heeft
gedaan.
kan de burgemeester de vergunning intrekken, indien:
aannemelijk is dat een leidinggevende betrokken is
of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij
activiteiten in of vanuit de openbare inrichting die
een gevaar opleveren voor de openbare orde of een
bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in
de omgeving van de openbare inrichting;
een leidinggevende toestaat of gedoogd dat in de
inrichting strafbare feiten worden gepleegd;
zich in of vanuit de openbare inrichting anderszins
feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat
het geopend blijven van de openbare inrichting
gevaar oplevert voor de openbare orde of een
bedreiging van het woon- of leefklimaat in de
omgeving van de inrichting;
is gehandeld in strijd met het bepaalde in de
artikelen 2:34H.
Een vergunninghouder in een periode van twee jaar
ten minste drie maal op grond van artikel 2:34I om
bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij
de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die
wijziging van het aanhangsel tenminste driemaal
heeft geweigerd op grond artikel 2:34I, vijfde
lid.