**1..** De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan
degene die zich gedraagt in strijd met artikel 138, 141, 180,
181, 182, 184, 266 juncto 267, 285, 287, 300, 302, 311, eerste
lid sub 5o, 317, 318, 350, 424, 426 of 453 van het
Wetboek van Strafrecht, 2:1, 2:9, 2:31, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50,
2:74 of 3:9 van deze verordening, artikel 2 of 3 van de
Opiumwet, artikel 13, 22, 26, 27 of 31 van de Wet wapens en
munitie, een verbod opleggen om zich te bevinden op of aan de
door de burgemeester aangewezen plaatsen, gedurende een tijdvak
van:
24 uur, indien de gedraging:
in strijd is met artikel 2:1, 2:9, 2:31, 2:47,
2:48, 2:49 of 2:50 van deze verordening;
een eerste overtreding van artikel 3:9 van deze
verordening betreft, of:
in strijd is met artikel 424, 426 of 453 van het
Wetboek van Strafrecht.
zes weken, indien de gedraging:
een eerste herhaling van de overtreding van
artikel 3:9 van deze verordening betreft;
in strijd is met artikel 138, 141, 180, 181,
182, 184, 267, 285, 300, 311, eerste lid sub
5o of 350 van het Wetboek van
Strafrecht;
in strijd is met het bepaalde in de Opiumwet en
bestaat uit het bezit van een grotere hoeveelheid
drugs dan de hoeveelheid die doorgaans wordt
aangeboden als gebruikershoeveelheid;
in strijd is met bepaalde in de Opiumwet en
bestaat uit het gebruik van harddrugs op de weg of
nabij een voor een ieder toegankelijke plaats of
gelegenheid, of;
in strijd is met artikel 13 van de Wet wapens en
munitie
twaalf weken, indien de gedraging:
in strijd is met artikel 287, 302, 317 of 318
van het Wetboek van Strafrecht;
een tweede herhaling van een overtreding van
artikel 3:9 van deze verordening betreft;
in strijd is met artikel 2 of 3 van de Opiumwet,
dan wel bestaat uit handelingen als bedoeld in
artikel 2:74 van deze verordening, of:
in strijd is met artikel 22, 26, 27 of 31 van de
Wet wapens en munitie.
**2..** De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan
degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid
is opgelegd en ten aanzien van wie binnen zes maanden na het
opleggen van dit verbod wordt geconstateerd, dat hij zich
opnieuw gedraagt in strijd met een of meerdere van de in het
eerste lid genoemde artikelen, een verbod opleggen om zich
gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste
twaalf weken te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen,
waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben
plaatsgehad.
**3..** De burgemeester beperkt het in het eerste lid genoemde verbod,
indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van
betrokkene noodzakelijk is.
**4..** Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
burgemeester opgelegd verbod.
HOOFDSTUK 2. › Afdeling 15
Artikel 2:78
Verblijfsontzegging
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening 2012