**1..** De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene van wie mag worden aangenomen dat hij hetzij alleen, hetzij in groepsverband, door het plegen van strafbare feiten, door baldadig of hinderlijk gedrag of anderszins personen lastig valt of schade toebrengt, na tenminste één maal waarschuwing van de politie, een verbod opleggen om zich te bevinden op in dat verbod aangewezen plaats of gebied, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad. De genoemde waarschuwingstermijn bedraagt ten hoogste één jaar.
**2..** Het verbod van het eerste lid geldt gedurende het in het besluit van de burgemeester genoemde tijdvak, nadat dit aan diegene in het belang van de openbare orde naar het oordeel van de burgemeester bij diens besluit is bekendgemaakt.
**3..** Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, is de strafbepaling uit artikel 6:1 van deze verordening rechtstreeks van toepassing.
**4..** De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan diegene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie binnen zes maanden na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het eerste lid bedoelde gedragingen een verbod opleggen zich te bevinden op in dat verbod aangewezen plaats of gebied, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad, voor een tijdvak van ten hoogste vier weken.
**5..** De burgemeester beperkt de in het eerste en vierde lid genoemde verboden, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 11
Artikel 2:47b
Gebiedsontzegging
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2014