Deze verordening verstaat onder:
markt: de door het college ingestelde warenmarkt;
standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel;
vaste standplaats: de standplaats die voor onbepaalde tijd ter beschikking is gesteld aan een vergunninghouder;
dagplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste standplaats is toegewezen dan wel ingenomen;
standwerken: de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een artikel;
standwerkplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld om te standwerken;
vergunninghouder: degene aan wie door het college van burgemeester en wethouders een vergunning is verleend voor het innemen van een standplaats;
wachtlijst: de lijst van gegadigden voor een vast standplaats;
anciënniteitlijst: de lijst van vergunninghouders van een vast standplaats;
marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door het college;
feestdag: een algemeen erkende feestdag zoals omschreven in artikel 3 van de Algemene termijnenwet;
marktterrein: het door het college als marktterrein aangewezen terrein voor de warenmarkt.
Artikel 1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van marktgelden 2010