Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Afdeling 4

Artikel 4:15

Verbod hinderlijke of gevaarlijke (handels)reclame

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2014 gemeente Eersel

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak, alsmede de hoofdgebruiker van die zaak verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag deze zaak of daarop aanwezige zaak te  gebruiken of het gebruik daarvan toe te laten voor het maken van handelsreclame met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is. 1. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van: a. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in het inwendige gedeelte van een onroerende zaak; b. opschriften en aankondigingen op zuilen, borden, muren of andere constructies, aangewezen door de overheid; c. opschriften en aankondigingen betrekking hebbend op: - openbare verkoping, aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; - het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak bestemd is, zomede op naamborden, mits: - deze opschriften en aankondigingen gezamenlijk geen grotere oppervlakte hebben dan 0,50 m² en geen van alle een grotere oppervlakte in een inrichting hebben dan 1,00 m², en - deze opschriften en aankondigingen niet verlicht zijn aangebracht op of aan een onroerende zaak en/of het bij de onroerende zaak behorende eigen erf; - vrijstaande opschriften en aankondigingen niet hoger zijn dan 1 meter ten opzichte van het aansluitend afgewerkt terrein; d. opschriften en aankondigingen aan gebouwen en inrichtingen van openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op de Wet Milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Monumentenwet, de Gemeentelijke monumentenverordening of artikel 2:10 van toepassing is. 3. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a. indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. in het belang van de verkeersveiligheid; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 4. Indien door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in het tweede lid dan wel aangebracht voor een ander doel dan handelsreclame, de veiligheid van het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving wordt veroorzaakt of in strijd is met redelijke eisen van welstand, is het college bevoegd de rechthebbende onderscheidenlijk de hoofdgebruiker van de onroerende zaak aan te schrijven tot het treffen van maatregelen ter voorkoming, ter beperking of ter opheffing van dit gevaar, deze hinder of strijdigheid met redelijke eisen van welstand. Degene toe wie de aanschrijving is gericht, of diens rechtsopvolger, is verplicht deze aanschrijving op te volgen. 5. Het college kan beleidsregels opstellen waarbij kan worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten, categorieën en/of gevallen van reclame of uitstallingen als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven activiteiten, categorieën en/of gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel