1.
De norm wordt lager vastgesteld indien de gehuwden
lagere algemene kosten van het bestaan heeft dan
waarin de norm voorziet, als gevolg van het geheel
of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een
ander.
2.
De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt
10% van het netto wettelijk minimumloon voor de
gehuwden in wiens woning een ander zijn
hoofdverblijf heeft, behoudens (een) ten laste
komend kind(eren).
3.
De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt
20% van het netto wettelijk minimumloon voor de
gehuwden indien deze lagere algemeen noodzakelijke
kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm
voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning
of gedeelte van een woning waaraan geen kosten
verbonden zijn, dan wel wanneer er sprake is van
gehuwde daklozen.
4.
Er vindt geen verlaging plaats van de norm indien
het gezin verblijft in de crisisopvang of daarmee
gelijkgestelde vormen van opvang.
5.
In afwijking van het gestelde onder lid 2 van dit
artikel wordt de verlaging bepaald op nihil indien
er sprake is van inwoning van (een) ten laste
komend(e) kind(eren), dan wel indien de gehuwden of
één van beide gehuwden de zorg heeft over een
zorgbehoevende of zelf zorgbehoevend is.
Hoofdstuk 2
Artikel 4
Verlaging gehuwden
Onderdeel van Verordening Toeslagen en Verlagingen WWB 2013