Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 4

Vroegtijdige detectie

Onderdeel van Beleidsregels handhaving WWB IOWA en IOAZ 2013 gemeente Heerenveen

4.1 Controle op maat Het college stelt bij het constateren van een fraudesignaal een onderzoek in. Het college stelt controleprotocollen op voor het te voeren onderzoek, waarbij op basis van objectieve criteria de in te zetten middelen van licht naar zwaar kunnen oplopen. De bevoegdheid om deze middelen in te zetten ontleent het college aan de artikelen 17 en 53a WWB, respectievelijk de artikelen 13 en 14 van zowel de IOAW als de IOAZ. Het college zet een strafrechtelijk traject in indien het benadelingsbedrag hoger is dan bruto € 50.000,- of als het vermoeden bestaat dat het benadelingsbedrag € 50.000,- of meer zal bedragen. Benadelingsbedragen van minder dan € 50.000,- worden in beginsel bestuursrechtelijk afgedaan, tenzij: strafrechtelijk dwangmiddelen zijn toegepast; toepassing van strafrechtelijke dwangmiddelen wenselijk is; er sprake is van samenloop met andere strafbare feiten; de status van de verdachte of diens voorbeeldfunctie aanleiding zijn tot een strafrechtelijke afdoening; het recidive betreft met een totaal fraudebedrag boven de € 50.000,-; er fraude met medeweten van uitvoerende ambtenaren heeft plaatsgehad; het gaat om fraude in georganiseerd verband; feiten en omstandigheden rond de verdachte daartoe aanleiding geven. Het doen van aangifte wegens fraude sluit het opleggen van een boete ingevolge artikel 18a van de WWB, 20a van de IOAW en artikel 20a van de IOAZ uit indien het Openbaar Ministerie is overgegaan tot vervolging en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, de zaak is afgedaan middels een strafbeschikking of als een transactie is overeengekomen met de belanghebbende. 4.2 Signaalsturing Het college besluit om een belanghebbende te controleren als fraudesignalen zich voordoen. Het college stelt controleprotocollen op voor de diverse signalen en soorten fraude. 4.3 Risicosturing Het college kan door middel van risicoanalyse vooraf bepalen welke groepen een verhoogd risico op fraude hebben. Er dient sprake te zijn van een objectief vast te stellen situatie van verhoogd risico. Het college stelt vooraf een onderzoeksprotocol (risicoprofiel) op waarin wordt aangegeven wanneer controle plaats vindt gericht op een specifieke risico. Dit onderzoeksprofiel voldoet aan de minimale eisen: omschrijving van het doel dat met de inzet van risicoprofielen moet worden bereikt; het moet administratief traceerbaar zijn; niet gebaseerd zijn op etniciteit en mag niet stigmatiserend zijn. Het college voert een beperkte steekproef met het risicoprofiel uit alvorens het risicoprofiel breed toe te passen. Uitleg van risicoprofielen is onderdeel van het vroegtijdig informeren. De risicoscorekaart maakt onderdeel uit van risicosturing. 4.4 Themacontroles Het college kan beslissen om themacontroles uit te voeren. De controles gebeuren op basis van een objectief thema en kunnen worden onderverdeeld in een administratief en een feitelijk onderzoek. Themacontroles zijn aan een bepaalde tijdsduur gebonden.

Rechtspraak bij dit artikel