**1..** De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en
veiligheid, het voorkomen of beperken van overlast, het
voorkomen of beperken van aantastingen van het woon-of
leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de
gezondheid of de zedelijkheid aan degene die strafbare feiten of
de openbare orde verstorende handelingen verricht een verbod
opleggen om zich te bevinden in het in dat verbod aangewezen
gebied gedurende een in het verbod neergelegde periode.
**2..** Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de
burgemeester aan degenen aan wie eerder een wijkverbod als
bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie
wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of de
openbare orde verstorende handelingen verricht, een verbod
opleggen om zich gedurende een in dat wijkverbod genoemd tijdvak
van ten hoogste dertig dagen ten bevinden in het in het verbod
aangewezen gebied.
**3..** Een wijkverbod krachtens het tweede lid kan slechts worden
opgelegd indien strafbare feite of andere de openbare orde
verstorende handelingen binnen zes maanden na het opleggen van
een eerder wijkverbod, opgelegd op basis van het eerste of
tweede lid, zijn geconstateerd.
**4..** De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde
wijkverboden, indien dat in verband met de persoonlijke
omstandigheden noodzakelijk is.
**5..** Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
burgemeester opgelegd wijkverbod.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 10
Artikel 2.10.1