1.Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
andere wijze,
passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te
lokken:
op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of
gebieden;
gedurende andere dan door het college vastgestelde
tijden.
Met het oog op de naleving van het in het eerste lid
gestelde verbod, kan door
politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een
bepaalde
richting te verwijderen.
3.Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen
kan door
politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en
tijden bedoeld in
het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een
bepaalde richting te
verwijderen.
4.De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede
lid, genoemde
belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven
als bedoeld in
het derde lid bij besluit verbieden zich gedurende bepaalde termijn,
anders dan in een
openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de
tijden
bedoeld in het eerste lid.
5.De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod
indien dat in verband
met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk
is.
6.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
burgemeester opgelegd
verbod als bedoeld in het vierde lid.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 2
Artikel 3.2.6