Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag
houtopstand te vellen of te doen vellen.
Het in het eerste lid gestelde verbod is slechts van
toepassing op door het college
aangewezen waardevolle, beeldbepalende bomen, alsmede op bomen die
zich
bevinden in door het college aangewezen gebieden.
Het verbod geldt niet voor:
wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs
landbouwgronden,
beide voor zover bestaande uit niet-geknotte populieren of
wilgen;
vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;
fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen
als kerstbomen en
geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;
kweekgoed;
houtopstand die bij wijze van dunning moet worden
geveld;
houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het
Bosschap
geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten een
bebouwde
kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die:
ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are;
ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen,
gerekend
over het totale aantalrijen;
g.houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet
of
krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks
onverminderd het
bepaalde in artikel 4.3.6;
h.houtopstand, waarvan de gemeente de eigenares of de rechthebbende
is,
wanneer het vellen daarvan gebeurt ter vervanging van verloren
gegane
beplanting op openbaar terrein;
i.houtopstand ten aanzien waarvan bij een geldend bestemmingsplan of
bij een
geldend voorbereidingsbesluit is bepaald dat het verboden is deze te
vellen
zonder schriftelijke vergunning van het college
(aanlegvergunning);
j.houtopstand in tuinen of erven behorende bij woningen welke niet
zichtbaar is
vanaf de openbare weg en niet voorkomt op de door het college
opgestelde
lijst van waardevolle tuin- of erfbomen.
4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beschikken) van
toepassing.
Hoofdstuk 4 › Afdeling 3
Artikel 4.3.2