Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan
behoren dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig
het door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden
herplant.
Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven,
dan kan daarbij tevens
worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke
wijze niet geslaagde
beplanting moet worden vervangen.
3.Een vergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde van
feitelijk nietgebruik
tot het moment van definitief worden van de vergunning, oftewel tot
het
moment dat:
a.de bezwaar- of beroepstermijn voor derden is verstreken zonder dat
bezwaar
of beroep is ingediend;
beslist is op een verzoek om een voorlopige
voorziening;
beslist is op het beroep van derden en geen verzoek tot
voorlopige
voorziening is gedaan.
Hoofdstuk 4 › Afdeling 3
Artikel 4.3.5