1.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
gewoonte van maakt
voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te
verhandelen,
verboden:
a.drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd,
op de weg te
parkerenbinnen een cirkel met een straal van 25 meter met
als middelpunt een van deze voertuigen; dan wel
de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede
verstaan:
het gebruiken van een voertuig voor het geven van
lessen;
het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
personen tegen
betaling.
Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet
gerekend:
voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
worden verricht
die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd
die nodig is
voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;
b.voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste
lid
genoemde persoon.
4.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
ontheffing verlenen.
Hoofdstuk 5 › Afdeling 1
Artikel 5.1.2