Deze verordening verstaat onder:
a. “markt”: de door het college ingestelde warenmarkt;
b. “standplaats”: de op (en voor de duur van) de markt door het bevoegde gezag aangewezen ruimte voor het uitoefenen van de markthandel;
c. “vaste plaats”: een standplaats, die voor onbepaalde tijd beschikbaar wordt gesteld;
d. “dagplaats”: een standplaats, die per marktdag beschikbaar wordt gesteld;
e. “standplaatshouder”: ieder aan wie door het bevoegde gezag een vergunning is toegekend om gedurende een markt een standplaats te bezetten;
f. “frontbreedte van een standplaats”: de lengte van de zijde van een standplaats met een ruimte van maximaal 3 strekkende meters diepte die aan een voor het publiek geprojecteerde gang is gelegen;
g. “oppervlakte van een standplaats”: de oppervlakte van een standplaats met een ruimte van meer dan 3 strekkende meters;
h. “week”: kalenderweek;
i. “maand”: kalendermaand;
j. “kwartaal”: kalenderkwartaal;
k. “belastingjaar”: het kalenderjaar (waarin de belastingplicht is ontstaan).
Artikel 1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van marktgeld 2014