Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2 › Afdeling 6

Artikel 2:15

Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Onderdeel van ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING

1.. De eigenaar of beheerder van over de weg overhangende beplanting is gehouden zijn beplantingen zodanig terug te snoeien en gesnoeid te houden dat hinderlijke en/of gevaarlijke situaties worden vermeden. 2.. Er is in ieder geval sprake van een hinderlijke en/of gevaarlijke situatie: Als op voetpaden die breder zijn dan 1.20 meter minder dan 1.20 meter vrije ruimte voor voetgangers overblijft; Als beplanting overhangt over voetpaden die smaller zijn dan 1.20 meter; Als beplanting overhangt over fietspaden, parkeerstroken of rabatstroken (klinkerstroken langs de rijbaan, bedoeld als parkeer- en voetgangersgedeelte); Als beplanting in de hierboven a tot en met c bedoelde gevallen hangt op minder dan 2.20 meter hoogte boven de openbare weg; Als armaturen van lichtmasten, ook op meer dan 2.20 meter hoogte, verkeersborden en brandweerkranen geheel of gedeeltelijk door beplanting worden afgeschermd;

Rechtspraak bij dit artikel