1. De belasting als bedoeld in artikel 2 lid a en b wordt, a. indien
niet meer dan 500 m³ water per jaar wordt geloosd, geheven naar het
aantal personen dat het eigendom gebruikt, of indien het een niet-woning
betreft naar een meerpersoonshuishouden. b. indien per eigendom meer dan
500 m³ water per jaar wordt geloosd, over het meerverbruik boven 500 m³
de belasting geheven naar het aantal kubieke meters water dat naar het
perceel is toegevoerd of opgepompt. Het aantal kubieke meters water
wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater en grondwater
dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande
verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt. In
geval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf
maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang
bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand
voor een volle maand gerekend. 2. In geval gebruik wordt gemaakt van een
pompinstallatie moet die pompinstallatie voorzien zijn van een: a.
watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen,
of b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een
pompinstallatie met een vaste capaciteit in bedrijf is geweest, kan
worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien de
vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van
enige andere wettelijke bepaling. 3. a. De belasting als bedoeld in
artikel 2 lid c wordt geheven naar een vast bedrag indien de
aansluitkosten op de gemeentelijke riolering niet meer bedragen dan €
1.500,00. b. Indien de kosten voor de aansluiting op de gemeentelijke
riolering meer dan € 1.500,00 bedragen, is de rechthebbende, voor zover
dit redelijk is, de kosten voor de eventuele aanleg van een nieuw
openbaar riool, het aansluiten op het openbaar riool en de aanleg of
wijziging van de aansluitleiding aan de gemeente verschuldigd.
Artikel 5
Maatstaf van heffing
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van rioolrechten