Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 13:

Omvang van het persoonsgebonden budget bij koop en huur

Onderdeel van Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Leiderdorp 2014

Lid 1. Het persoonsgebonden budget voor een rolstoel omvat twee bestanddelen: een eenmalige vergoeding voor de aanschaf inclusief standaard fabrieksopties (A) en een jaarlijkse tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, reparatie en eventueel verzekering (B). Het persoonsgebonden budget bedraagt, rekening houdend met de kosten voor verzekering en onderhoud voor de gehele gebruiksperiode, als bedoeld in het vierde lid, ten hoogste: Soort voorziening Totaal (A+B) Aanschaf (A) Verzekering en onderhoud voor hele periode (B) 1 duwwandelwagen voor continu gebruik € 3.450,- € 2.950,- € 500,- 2 handbewogen rolstoel voor incidenteel/kortdurend gebruik € 525,- € 400,- € 125,- 3 handbewogen rolstoel voor (semi-)permanent/algemeen gebruik € 1.375,- € 1.125 € 250,- 4 handbewogen rolstoel voor actief gebruik € 2.600,- € 2.100,- € 500,- 5 elektrische rolstoel voor (semi-)permanent gebruik, primair binnen, maar ook om het huis € 9.000,- € 6.600,- € 2.400,- 6 elektrische rolstoel voor (semi-)permanent gebruik, primair buiten, maar ook binnenshuis €10.250,- € 7.900,- € 2.350,- Lid 2. Indien belanghebbende het persoonsgebonden budget aanwendt voor het huren van een rolstoel, ontvangt hij per kalenderjaar het in het eerste lid genoemde totaalbedrag (A + B), gedeeld door het aantal gebruiksduurjaren als bedoeld in het vierde lid. Bij overlijden of verhuizen van belanghebbende of het niet meer adequaat zijn van de rolstoel wordt het persoonsgebonden budget stopgezet. Lid 3. Bij de verstrekking van het persoonsgebonden budget stelt het college een programma van eisen voor de rolstoel beschikbaar. Lid 4. Het college hanteert een gebruiksduur van 7 jaar voor een rolstoel. Lid 5. Belanghebbende is verplicht om gedurende de gebruiksduur de via het persoonsgebonden budget aangeschafte rolstoel voldoende te laten onderhouden. Lid 6. Belanghebbende is verplicht om gedurende de gebruiksduur voor de via het persoonsgebonden budget aangeschafte elektrische rolstoel tenminste een aansprakelijkheidsverzekering (eerste drie jaar all risk) af te sluiten. Lid 7. Het college vergoedt alleen de werkelijk gemaakte kosten van de aanschaf van de rolstoel op basis van aankoopbewijs of vooruitbetaald op basis van een offerte. Hierbij geldt het in het eerste lid genoemde maximum. Lid 8. De jaarlijkse tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, reparatie en verzekering van een rolstoel wordt voor de eerste keer verstrekt in het jaar volgend op het jaar van aanschaf. Lid 9. De meerkosten die verband houden met noodzakelijke individuele aanpassingen worden voor 100% vergoed. Lid 10. Indien vast staat dat belanghebbende de rolstoel niet meer gebruikt, is hij gehouden deze aan het college in eigendom over te dragen dan wel de restwaarde ervan te vergoeden. Bij overlijden van belanghebbende binnen de gebruiksduur van de voorziening rust deze verplichting op de erfgenamen van belanghebbende. Lid 11. Indien vanwege medische redenen binnen 7 jaar opnieuw een persoonsgebonden budget voor een rolstoel wordt aangevraagd, dan wordt deze eventueel verstrekt onder inhouding van het bedrag van de restwaarde van de eerder verstrekte rolstoel. Lid 12. Indien degene aan wie een persoonsgebonden budget voor een rolstoel is toegekend, binnen 7 jaar verhuist, dan wordt het bedrag van de restwaarde van de eerder verstrekte rolstoel gevorderd, tenzij het college van de nieuwe woonplaats de verstrekking overneemt. Lid 13. De restwaarde van de rolstoel wordt als volgt bepaald: Bij verhuizing of overlijden van belanghebbende of niet meer adequaat zijn van de voorziening Restwaarde als percentage van verstrekt aanschaf-gedeelte van het PGB ~ in het eerste jaar 85% ~ in het tweede jaar 70% ~ in het derde jaar 55% ~ in het vierde jaar 40% ~ in het vijfde jaar 25% ~ in het zesde jaar 10%

Rechtspraak bij dit artikel