Lid 1.
Het persoonsgebonden budget voor een scootmobiel omvat twee bestanddelen: een eenmalige vergoeding voor de aanschaf inclusief standaard fabrieksopties (A) en een jaarlijkse tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, reparatie en verzekering (B). Het persoonsgebonden budget bedraagt, rekening houdend met de kosten voor verzekering en onderhoud voor de gehele gebruiksperiode, als bedoeld in het derde lid, ten hoogste:
a.voor een scootmobiel voor gebruik in de woonomgeving (8 km/uur):
€ 2.350,- (A)+ € 950,- (B) = € 3.300,-;
b.voor een scootmobiel voor gebruik in de woonomgeving (10 km/uur):
€ 2.700,- (A)+ € 1.100,- (B) = € 3.800,-;
c.voor een scootmobiel voor langere afstanden en intensief gebruik (15 km/uur):
€ 3.600,- (A)+ € 1.350,- (B) = € 4.950,-.
Lid 2.
Indien de belanghebbende het persoonsgebonden budget aanwendt voor het huren van een scootmobiel, ontvangt hij per kalenderjaar het in het eerste lid genoemde totaalbedrag (A + B), gedeeld door het aantal gebruiksduurjaren als bedoeld in het vierde lid. Bij overlijden of verhuizen van de belanghebbende of het niet meer adequaat zijn van de scootmobiel wordt het persoonsgebonden budget stopgezet.
Lid 3.
Bij de verstrekking van het persoonsgebonden budget stelt het college een programma van eisen voor de voorziening beschikbaar.
Lid 4.
Het college hanteert een gebruiksduur van 7 jaar voor een scootmobiel.
Lid 5.
De belanghebbende is verplicht om gedurende de gebruiksduur de via het persoonsgebonden budget aangeschafte scootmobiel voldoende te laten onderhouden.
Lid 6.
De belanghebbende is verplicht om gedurende de gebruiksduur voor de via het persoonsgebonden budget aangeschafte scootmobiel tenminste een aansprakelijkheidsverzekering (eerste drie jaar all risk) af te sluiten.
Lid 7.
Het college vergoedt alleen de werkelijk gemaakte kosten van de aanschaf van de scootmobiel op basis van aankoopbewijs of vooruitbetaald op basis van een offerte.
Lid 8.
De meerkosten die verband houden met noodzakelijke individuele aanpassingen worden voor 100% vergoed.
Lid 9.
De jaarlijkse tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, reparatie en verzekering van een scootmobiel wordt voor de eerste keer verstrekt in het jaar volgend op het jaar van aanschaf.
Lid 10.
Indien vast staat dat belanghebbende de scootmobiel niet meer gebruikt, is hij gehouden deze aan het college in eigendom over te dragen dan wel de restwaarde ervan te vergoeden. Bij overlijden van belanghebbende binnen de gebruiksduur van de scootmobiel rust deze verplichting op de erfgenamen van belanghebbende.
Lid 11.
Indien vanwege medische redenen binnen 7 jaar opnieuw een persoonsgebonden budget voor een scootmobiel wordt aangevraagd, dan wordt deze eventueel verstrekt onder inhouding van het bedrag van de restwaarde van de eerder verstrekte scootmobiel.
Lid 12.
Indien degene aan wie een persoonsgebonden budget voor een scootmobiel is toegekend, binnen 7 jaar verhuist, dan wordt het bedrag van de restwaarde van de eerder verstrekte scootmobiel gevorderd, tenzij het college van de nieuwe woonplaats de verstrekking overneemt.
Lid 13.
De restwaarde van de scootmobiel wordt als volgt bepaald:
Bij verhuizing of overlijden van
belanghebbende of niet meer adequaat
zijn van de scootmobiel
Restwaarde als percentage
van verstrekt aanschaf-gedeelte van het Pgb
~ in het eerste jaar
85%
~ in het tweede jaar
70%
~ in het derde jaar
55%
~ in het vijfde jaar
40%
~ in het vierde jaar
25%
~ in het zesde jaar
10%
Hoofdstuk 5
Artikel 23:
Omvang van het persoonsgebonden budget voor scootmobielen koop en huur
Onderdeel van Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Leiderdorp 2014