Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
parkeren: het gedurende een
aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders
dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het
onmiddellijk in- of uitstappen van personen, dan wel het
onmiddellijk laden of lossen van goederen op binnen de gemeente
gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of
weggedeelten waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een
wettelijk voorschrift is verboden;
houder: degene die naar de
omstandigheden als houder van een voertuig moet worden beschouwd,
met dien verstande dat voor een motorvoertuig dat is ingeschreven in
het krachtens de Wegenverkeerswet (Staatsblad 1994, nr. 475) aangehouden register van opgegeven
kentekens, als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam het voor
het motorvoertuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in
het register was ingeschreven;
parkeerapparatuur: parkeermeters, voor
het betalen van de parkeerbelasting ingerichte mobiele telefoons,
parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, centrale
computer en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder
parkeerapparatuur wordt verstaan;
centrale computer: een computer van de
gemeente dan wel een computer van het bedrijf waarmee de gemeente
een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van
parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het
gebied van betaald parkeren met gebruik van een telefoon of ander
communicatiemiddel;
parkeerapparatuurplaats: een
parkeerplaats waarvoor parkeerbelasting wordt geheven, behorende bij
de parkeerapparatuur;
vergunning: een van gemeentewege
verleende vergunning voor het parkeren (parkeervergunning) zoals
geregeld en beschreven in de Parkeerverordening 2013;
parkeerduurbeperking: beperking in
tijdsduur van de Parkeerhandeling, alles overeenkomstig het bepaalde
in de Parkeerverordening 2013.