Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4:6

Begripsbepalingen

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010

In deze afdeling wordt verstaan onder: boom: een houtachtig, overblijvend gewas, dat: een- of meerstammig kan zijn, waarbij in geval van meerstammigheid de stammen zich bovengronds moeten vertakken; een dwarsdoorsnede van de stam, of bij meerstammigheid de dwarsdoorsnede van de dikste stam, van 15 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld heeft; houtopstand: zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend die: a. een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer b. bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen; hakhout: een of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; knotten/kandelaberen: het tot op de snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud; bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming; boomwaarde: het getal dat wordt gevonden door het product van de volgende factoren: de oppervlakte in vierkante centimeters van de dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven het maaiveld; de geïndexeerde eenheidsprijs per vierkante centimeter; de standplaatswaarde; de conditiewaarde; de waarde van de plantwijze; g.vellen: afzagen, afhakken, rooien met inbegrip van verplanten en het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel