1. Het aantal personen dat heeft overnacht, wordt met betrekking
tot:
a. vakantieonderkomens en niet-beroepsmatig verhuurde ruimten bepaald
op: 3 personen indien het aantal slaapplaatsen 4 of minder bedraagt; 4
personen indien het aantal slaapplaatsen meer dan 4 bedraagt; b. mobiele
kampeeronderkomens en stacaravans op vaste standplaatsen bepaald op: 2
personen indien het aantal slaapplaatsen drie of minder bedraagt; 3,5
personen indien het aantal slaapplaatsen meer dan drie bedraagt; c.
mobiele kampeeronderkomens op niet vaste standplaatsen bepaald op de som
van het aantal kampeeronderkomens bestemd voor verblijf van maximaal
drie personen, vermenigvuldigd met 2 en het aantal kampeeronderkomens
bestemd voor verblijf van meer dan drie personen, vermenigvuldigd met 3.
2. Het aantal malen dat door de in het eerste lid bedoelde personen in
overnacht wordt:
a. ingeval verblijf wordt gehouden in vakantieonderkomens, niet
beroepsmatig verhuurde ruimten dan wel op vaste standplaatsen, welke
geschikt zijn voor gebruik of slechts gebruikt mogen worden gedurende
een periode van:
ten hoogste drie maanden bepaald op 40; meer dan drie doch ten hoogste
zes maanden bepaald op 50; meer dan zes doch ten hoogste negen maanden
bepaald op 65; meer dan negen doch ten hoogste twaalf maanden bepaald op
80;
b. ingeval verblijf wordt gehouden in mobiele kampeeronderkomens op
niet vaste standplaatsen bepaald op 365.
3. Het aantal mobiele kampeeronderkomens als bedoeld in het eerste lid,
letter c, wordt vastgesteld op het gemiddelde van een zestal tellingen
gedurende het belastingjaar, waarbij iedere telling valt binnen een
afzonderlijke periode van twee maanden.
Artikel 5
Forfaitaire berekeningswijze van de heffingsgrondslag
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van landtoeristenbelasting 2013