1. Schade blijft in elk geval voor rekening van de aanvrager voor zover:
a. de schade redelijkerwijs niet kan worden toegerekend aan een door het bestuursorgaan genomen besluit of verrichte handeling;
b. hij het risico van het ontstaan van de schade heeft aanvaard;
c. hij de schade had kunnen beperken door binnen redelijke grenzen maatregelen te nemen, die tot voorkoming of vermindering van de schade hadden kunnen leiden;
d. de schade anderszins het gevolg is van een omstandigheid die aan de aanvrager kan worden toegerekend, of
e. de vergoeding van de schade anderszins is verzekerd.
2. Indien een schadeveroorzakende gebeurtenis als bedoeld in artikel 2 tevens voordeel voor de benadeelde heeft opgeleverd, wordt dit bij de vaststelling van de te vergoeden schade in aanmerking genomen.
3. Geen vergoeding wordt toegekend voor zover een schadeverzoek op grond van een andere specifieke bepaling van een wet in formele zin in aanmerking komt.
4. Het bestuursorgaan kan de aanvraag tot vergoeding van de schade afwijzen indien op het tijdstip van de aanvraag vijf jaren zijn verstreken na aanvang van de dag na die waarop de benadeelde bekend is geworden zowel met de schade als met het voor de schadeveroorzakende gebeurtenis verantwoordelijke bestuursorgaan, en in ieder geval na verloop van twintig jaren nadat de schade is veroorzaakt.
5. Indien de aanvraag betrekking heeft op een schade veroorzaakt door een besluit waartegen beroep kan worden ingesteld, vangt de termijn van vijf jaren niet aan voordat dit besluit onherroepelijk is geworden
6. Het bestuursorgaan wijst de aanvraag tot vergoeding van de schade af indien de schade minder is dan € 500,-.
Paragraaf 2
Artikel 3
Weigeringsgronden
Onderdeel van Algemene Verordening Nadeelcompensatie Vlaardingen