**1..** Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan zoals bedoeld in artikel 18, tweede lid van de WWB wordt toegepast in andere dan de in artikel 7 van deze verordening vermelde situaties.
**2..** De verlaging:
is gelijk aan het percentage en de duur, waarmee een uitkering krachtens een Werknemersverzekering of sociale voorziening, of een daarmee naar aard en doel overeenkomende buitenlandse regeling of private verzekering wegens een verwijtbare gedraging is verlaagd;
bedraagt 20% van de bijstandsnorm gedurende ten hoogste het aantal maanden dat te snel op het vermogen is ingeteerd indien de belanghebbende op onverantwoorde wijze de middelen, waarover hij beschikte of redelijkerwijs kon beschikken, heeft aangewend behoudens het gestelde onder c en d van dit artikel;
bedraagt 20% van de bijstandsnorm gedurende ten hoogste het aantal maanden dat belanghebbende aanspraak moet maken op een uitkering vanwege het verwijtbaar afzien van een erfenis, waarmee hij, bij aanvaarding daarvan, zelf in de noodzakelijke kosten van het bestaan had kunnen voorzien;
bedraagt 20% van de bijstandsnorm gedurende ten hoogste het aantal maanden dat belanghebbende (volledig) aanspraak moet maken op een uitkering vanwege het verwijtbaar afzien van het hem toekomende deel van de boedel in het kader van een
echtscheiding, waarmee hij (deels) zelf in de noodzakelijke bestaanskosten had kunnen voorzien;
bedraagt 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand indien belanghebbende door de gedraging, verwijtbaar geen recht heeft op een uitkering krachtens een Werknemersverzekering, een sociale voorziening of een daarmee naar aard en doel overeenkomende buitenlandse regeling of private verzekering of geen aanspraak kan maken op door Rijk’s kas bekostigd onderwijs;
**3..** De verlaging wordt vastgesteld op 100% van de bijstandsnorm gedurende ten hoogste drie maanden:
indien de belanghebbende door een (boetewaardige) gedraging verwijtbaar geen of geen volledige uitbetaling krijgt van een uitkering krachtens een werknemersverzekering, volksverzekering of sociale voorziening, waardoor hij aanspraak heeft moeten maken op een uitkering;
indien de belanghebbende door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet behoudt;
indien de belanghebbende anderszins blijk geeft van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.
Hoofdstuk 3.
Artikel 9.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Heiloo 2013