Naar hoofdinhoud

Artikel 2.

Algemene bepaling met betrekking tot gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid

Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering IOAW en IOAZ en invordering boetes

1.. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot: het opschorten, herzien of intrekken van het recht op uitkering ingevolge artikel 17 derdeen vierde lid van de IOAW en ingevolge artikel 17 derde en vierde lid van de IOAZ, indien de uitkering tot een te hoog bedrag dan wel ten onrechte is verleend. het terugvorderen, zoals dit hem op grond van artikel 25, tweede lid en artikel 26 van de IOAW en artikel 25, tweede lid en artikel 26 van de IOAZ toekomt. het verrekenen van de in de voorafgaande drie maanden ontvangen middelen met dealgemene bijstand, zoals die haar op grond van artikel 25 vierde lid van de IOAW enartikel 25 vierde lid van de IOAZ toekomt. het bruteren van de vordering zoals die hem op grond van artikel 25 vijfde lid van deIOAW en artikel 25 vijfde lid van de IOAZ toekomt. het invorderen van de vordering via een dwangbevel, zoals dit haar op grond vanartikel 28 eerste lid van de IOAW en artikel 28 eerste lid van de IOAZ toekomt. het verrekenen van de vordering met de IOAW of IOAZ, zoals dit haar op grond van artikel 28 derde lid van de IOAW en artikel 28 van de IOAZ toekomt. het in rekening brengen van rente en kosten ingeval van niet nakoming van de verplichting tot terugbetaling van teveel of ten onrechte genoten bijstand. 2.. De bevoegdheden genoemd in lid a tot en met g gelden voor het college als algemene verplichtingen behoudens de in deze beleidsregels beschreven uitzonderingen. 3.. Het college maakt geen gebruik van haar bevoegdheid om van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien op grond van artikel 25, zesde lid onder a, b en d van de IOAW en artikel 25 zesde lid onder a, b en d van de IOAZ.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel