Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4

Artikel 8.

Vaststelling van het aflossingsbedrag

Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering IOAW en IOAZ en invordering boetes

1.. Het college verricht onderzoek naar de financiële situatie en stelt naar aanleiding van het onderzoek de aflossingscapaciteit vast overeenkomstig de BIJLAGE I. 2.. Het college kan bepalen dat eventuele spaartegoeden of andere vermogensbestanddelen, waarover direct kan worden beschikt door de belanghebbende, bij voorrang worden aangewend voor de terugbetaling van de vordering en/of boete. 3.. In afwijking van het eerste lid stemt het college bij vorderingen, die niet ontstaan zijn als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, zonder nader onderzoek in met een betalingsvoorstel van de debiteur voor zover daarmee het totaal van de vorderingen binnen een periode van 36 maanden in zijn geheel kan worden afgelost en de voorgestelde aflossing tenminste € 50 per maand bedraagt. 4.. De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij beëindiging of intrekking van de uitkering wegens werkaanvaarding wordt bij vorderingen, die niet ontstaan zijn als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, gedurende zes maanden na de verzenddatum van dit besluit, gesteld op het bedrag dat belanghebbende maandelijks reeds afloste tijdens de bijstandsperiode. 5.. Na afloop van de periode van zes maanden wordt de aflossingscapaciteit overeenkomstig de BIJLAGE I vastgesteld. 6.. Het aflossingsbedrag, zoals medegedeeld in het invorderingsbesluit, geldt als een opgelegde betalingsverplichting. 7.. Indien de belanghebbende geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, zoals gesteld in het eerste lid, dan is de vordering en/of de boete dan wel het restant van de vordering en/of de boete direct ineens opeisbaar.

Rechtspraak bij dit artikel