Naar hoofdinhoud
Belastingplichtig is de houder van een hond. Als houder wordt aangemerkt degene die onder welke titel dan ook een hond onder zich heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder is. Het houden van een hond door een lid van het huishouden wordt aangemerkt als het houden van een hond door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde Artikel 3 Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven ter zake van honden: die uitsluitend dienen om blinde personen te leiden; die als gehandicaptenhond aan een gehandicapte ter beschikking zijn gesteld; ie verblijven in een hondenasiel als bedoeld in artikel 1 onderdeel c van het Honden- en kattenbesluit 1999, welk asiel is opgenomen in het centraal register als bedoeld in artikel 5, tweede lid van genoemd besluit; die uitsluitend ten verkoop in voorraad worden gehouden of in aflevering in voorraad worden gehouden in een bedrijfsmatige inrichting als bedoeld in artikel 1 onderdeel b van het Honden- en kattenbesluit 1999, welke inrichting is opgenomen in het centrale register als bedoeld in artikel 5.2 van genoemd besluit; die jonger zijn dan drie maanden, voor zover zij tezamen met de moederhond worden gehouden; waarvan de houder in het bezit is van een geldend diploma van de Koninklijke Nederlands Politiehondenvereniging, mits de houder zich verbindt zijn hond met een geleider, aan wiens bevelen de hond gehoorzaamt, op aanvraag ter beschikking van de politie te stellen; waarvan de houder in het bezit is van een geldend diploma van het hoofdcomité van het Nederlandse Rode Kruis of van De Nederlandse Vereniging van Rodekruishonden; die worden gehouden door instellingen van wetenschap om het doel van die instelling te bevorderen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel