Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Afdeling 8

Artikel 2.39

Weigerings- en intrekkingsgronden

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2014

1. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.34 indien: a. de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het geldende bestemmingsplan; b. niet wordt voldaan aan de in artikel 2.36, eerste lid gestelde eisen. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.34 geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon  en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de openbare inrichting. 3. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met: a. het karakter van de straat en van de wijk waarin de openbare inrichting is gelegen of zal komen te liggen; b. de aard van de openbare inrichting; c. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting; d. de wijze van bedrijfsvoering van de houder van de inrichting in deze of in andere openbare inrichtingen, alsmede diens antecedenten. 4. De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen: a. indien blijkt, dat de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens en bescheiden is verleend; b. indien de exploitant of leidinggevende van de openbare inrichting de bepalingen in deze afdeling, dan wel de voorschriften, behorende bij de vergunning, overtreedt; c. indien aannemelijk is, dat de exploitant of leidinggevende van het de openbare inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de openbare inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting; d. indien de exploitant of leidinggevende strafbare feiten pleegt in de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd; e. indien de exploitant of leidinggevende van de openbare inrichting zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid; f. indien zich in of vanuit de openbare inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de openbare inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting; g. indien de exploitatie van de openbare inrichting voor een periode van langer dan zes maanden is of wordt onderbroken, alsmede indien er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd; h. indien op grond van verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking wordt gevorderd door de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist; i. indien de exploitant of leidinggevende niet langer voldoet aan de in artikel 2.36, eerste lid gestelde eisen; j. indien blijkt dat er sprake is van een wijziging van de exploitant, waarvoor geen nieuwe exploitatievergunning is aangevraagd. 5. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.11 beslist de burgemeester in geval van een melding die betrekking heeft op een terras behorend bij een openbare inrichting voor zover dit zich op de weg bevindt, over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras. 6. Onverminderd het gestelde in het tweede en derde lid kan de burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij een openbare inrichting horende terrassen verbieden: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b. indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. 7. Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of het Provinciaal wegenreglement Zuid-Holland.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel