Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 april 2004.
De Verordening Toeslagen en Verlagingen van de bijstandsnorm wordt ingetrokken per 1 januari 2004.
Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente De Ronde Venen van 29 januari 2004
De raad voornoemd,
de secretaris, de voorzitter,
ALGEMENE TOELICHTING
1. Norm, toeslag en verlaging
Hoofdstuk 3 van de WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen. Dit systeem is grotendeels overgenomen uit de Abw. In de WWB maakt het voor de financiering door het Rijk echter geen verschil of bijstand is toegekend als norm of als toeslag.
De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 2, in de artikelen 20 tot en met 24 Wwb.
Daarnaast voorziet paragraaf 3 in toeslagen en verlagingen in de artikelen 25 tot en met 29 Wwb. Het college is verplicht om in voorkomende gevallen de norm te verhogen met een toeslag. Van de mogelijkheid om een verlaging toe te passen hoeft geen gebruik gemaakt te worden.
Norm
Voor personen van 21 jaar tot en met 65 jaar bestaan er een drietal basisnormen (artikel 21 Wwb),
te weten:
gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm)
alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm
alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm
Toeslagen
Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt aanwezig geacht als naast betreffende
belanghebbende nog één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken als huur, gas, water en licht, maar ook krant etc. gedeeld worden.
De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de gehuwdennorm, zodat de uitkering maximaal bedraagt voor:
alleenstaande ouders: 90% van de gehuwdennorm
alleenstaanden: 70% van de gehuwdennorm
De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van 20% van de
gehuwdennorm, mits dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten. Dit is uitgewerkt in artikel 3 van de Toeslagenverordening. Budgettaire overwegingen mogen bij het vaststellen van de toeslag geen rol spelen. Het college is overigens niet verplicht om bij de verlening van een toeslag rekening te houden met lagere bestaanskosten. Het college heeft de mogelijkheid om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders, zonder nader onderscheid, de maximale toeslag te verstrekken. (Zie TK 28870, nr. 3, p. 52 en 53.)
Verlagingen
De Wwb noemt de volgende verlagingen:
verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij gehuwden (artikel 26 Wwb);
verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 Wwb);
verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie (artikel 28 Wwb);
verlaging in verband met de leeftijd van 21 of 22 jaar bij alleenstaanden (artikel 29 Wwb).
De verlagingen zijn uitgewerkt in de artikelen 4 tot en met 7 van de verordening.
2. De Toeslagenverordening
In artikel 8 lid 1 onder c jo. artikel 30 Wwb is geregeld dat de gemeenteraad bij verordening dient vast te stellen voor welke categorieën de bijstandsnorm verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.
Het door het college voorgestane beleid ten aanzien van de toeslagen moet dus worden vastgelegd in de Toeslagenverordening door de gemeenteraad, opdat het college het beleid kan uitvoeren.
categorieën
Artikel 30 Wwb bepaalt dat de Toeslagenverordening een categoriaal karakter moet hebben. Bij het afbakenen van categorieën is steeds getracht te komen tot in de praktijk eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is er gekozen voor een forfaitaire benadering.
Het is niet nodig om in de Toeslagenverordening alle mogelijke situaties uitputtend te regelen. In niet geregelde of uitzonderlijke gevallen heeft het college immers de bevoegdheid c.q. de plicht om de bijstand op grond van artikel 18 lid 1 Wwb bij wijze van individualisering afwijkend vast te stellen.
In de Toeslagenverordening wordt, naast de toeslagen, invulling gegeven aan alle
verlagingen die de Wwb mogelijk maakt. In artikel 8 van de Toeslagenverordening wordt
daarentegen het effect van samenloop van verschillende verlagingen beperkt door minimum hoogtes voor te schrijven waaraan de bijstand moet voldoen na toepassing van de verlagingen.
Eenvoudigheidshalve is ook de werking van de verordening beperkt tot belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, hoewel de Wwb de mogelijkheid biedt om de verlagingen ook toe te passen op belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar. In een uitzonderlijke situatie waarin een belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar slechter af zou zijn dan een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar in overigens vergelijkbare omstandigheden, ligt het voor de hand dat het college eveneens op grond van artikel 18 lid 1 Wwb de bijstand aanpast. (Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2 van de Toeslagenverordening.)
3. Berekening toepasselijke bijstandsnorm
In de WWB is -in tegenstelling tot in de Abw- niet voorgeschreven, dat in gevallen waarin zowel de toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de verlaging met voorrang op de toeslag dient plaats te vinden. De reden van het vervallen van het voorschrift is gelegen in de financieringsstructuur van de Wwb, waarbij het niet uitmaakt of de norm of de toeslag verlaagd wordt. Voor de toepassing van de leeftijdsverlaging maakt dit echter wel uit. Omdat noch uit de wettekst noch uit de Memorie van toelichting kan worden opgemaakt dat de wetgever heeft beoogd de leeftijdsverlaging een zwaarder gewicht te geven, blijft het bij voorrang toepassen van de verlaging op de toeslag de aangewezen volgorde. In de praktijk leidt dit overigens alleen bij de combinatie verlaging wegens woonsituatie en leeftijdsverlaging (een andere verlaging is niet mogelijk in combinatie met de (leeftijdsverlaging) tot verschillende uitkomsten.
Bovenstaande in acht nemend kan hoogte van de uitkering algemene bijstand voor personen van 21 tot 65 jaar als volgt worden berekend:
1.
Basisnorm;
2a
Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande ouders).
OF
2.b
Korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen (alleen bij gehuwden)
3.
Korten met verlaging wegens woonsituatie;
4a
Korten met verlaging schoolverlater
OF
4.b
Korten met verlaging voor 21- en 22-jarige alleenstaanden op (het restant van) de toeslag.
De verlagingen onder stap 4a en 4b mogen nooit gelijktijdig worden toegepast. De
Toeslagenverordening geeft aan welke verlaging geldt.
Leidt de uitkomst tot en lager bedrag aan bijstand dan de gestelde minima in artikel 8 van de Toeslagenverordening, dan moet het college de bijstand vaststellen op de van toepassing zijnde minimum hoogte volgens dit artikel.
De uitkomst van deze berekening laat ook een eventueel aan de orde zijnde afstemming van de bijstand bij wijze van individualisering onverlet.
Artikelsgewijse toelichting
HOOFDSTUK 4.
Artikel 13
Inwerkingtreding
Onderdeel van Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2004